*

 

Paarden en veel meer

Cees Straus − 24/11/09, 00:00

In het werk van Philips Wouwerman staan paarden centraal, maar het talent van deze vrijwel vergeten schilder reikte veel verder.

  • Philips Wouwerman (1619-1668): 'De schimmel' , olieverf/paneel, 1646. (Coll. Rijksmuseum, Amsterdam)

Hoewel zijn naam vaak voorkomt op straatnaambordjes in Nederlandse gemeenten, behoort Philips Wouwerman (1619-1668) niet tot de canon van de 17de eeuwse schilderkunst. Dat is eigenlijk verwonderlijk, want Wouwerman was in zijn tijd een veel gezochte schilder die over een uitstekende kwaliteit beschikte. Dat blijkt ook uit het overzicht dat Het Mauritshuis nu in Den Haag heeft samengesteld, de eerste monografische tentoonstelling ooit. Met een presentatie van 31 schilderijen en tien getekende bladen uit een oeuvre dat zo’n 600 werken moet hebben omvat, komt een redelijk representatief beeld van deze schilder naar voren. Wie bedenkt dat het paard als belangrijkste thema van zijn werk in brede kringen populair is, moet wel tot de conclusie komen dat de tijd rijp is voor een nieuwe oriëntatie op deze vrijwel vergeten schilder.

Ook wie niet bijzonder veel liefde voor het paard koestert, krijgt bij Wouwerman veel waar voor zijn entreegeld. Natuurlijk maken de paarden het grootste deel van het oeuvre uit, maar Wouwerman koos in die gevallen ook voor een spannend decor, zoals een mooie Hollandse einder met jagende wolken, of juist een romantische streek die vaagjes in Zuid-Europa kon worden gesitueerd. Wouwerman schilderde aantrekkelijke winterse taferelen, was behendig in het weergeven van feestende boeren en zag ook een bekoorlijke familiescène aan de rand van een stad niet over het hoofd. De invloed van italianisanten als Pieter van Laer en Nicolaes Berchem is onmiskenbaar. Dat neemt niet weg dat hij ook voorstellingen met boeren, jagers, soldaten of mythologische figuren heeft neergezet.

Hij moet het grootste deel van zijn leven in Haarlem hebben doorgebracht. De oud-Hollandse stad aan het Spaarne was in de eerste helft van de 17de eeuw uitgegroeid tot de culturele hoofdstad van de Republiek. Waarschijnlijk had de stad de grootste kunstenaarsdichtheid én het bijbehorende cliënteel van het land. Om te voorkomen dat de schilder bij zo’n dunne spoeling met algemene onderwerpen lastig aan de bak zou kunnen komen, was specialisatie van groot economisch belang. Portretten, stadsgezichten en stillevens werden naast religieuze thema’s en historisch-mythologische voorstellingen uitstekend betaald. Dat gold minder voor landschappen. Je ziet dan ook dat Wouwerman die als landschapsschilder over grote talenten beschikte, naar een afwijkende stoffering van zijn panorama’s zocht. Elke heuvel, polder, duin of bosschage wordt bevolkt met schilderachtige figuren. Niet zelden rijden ze te paard tijdens een jachtpartij of veldslag, trekken een paard voort bij landarbeid of pauzeren bij een herberg.

De paarden werden na verloop van tijd op natuurlijke wijze in de scène opgenomen. Het was Wouwerman lang niet gegeven zijn paarden de juiste anatomische verhoudingen te geven. De vroegste paarden zijn net als de mensfiguren houterig, maar gaandeweg kreeg hij beter grip op de materie. Toch koos hij altijd voor een min of meer trage gang bij het dier. Het belangrijkste paard in de groepsvoorstelling is altijd wit. dat moet een echte schilderstruc zijn geweest: alleen het wit leeft op te midden van een donker weergegeven setting. De ruiter op het witte paard draagt een rode tuniek of heeft een dito sjerp om. Ofschoon zwart en dus passend in de wat sombere kleurstelling die lang in de Gouden Eeuw zo in de mode was, veelvuldig voorkomt in de uitmonstering van ruiters en ander krijgsvolk, laat Wouwerman de kurassen fraai opblinken.

Dat Wouwerman een groot paardenliefhebber moet zijn geweest, blijkt uit het feit dat hij in bijna elke voorstelling wel zo’n beest laat zien. Neem een religieus thema als de ’Prediking van Johannes de Doper’, waarbij de heilige tegen het oplopende pad naar een kale boom wordt weergegeven, terwijl hij staat voor een gehoor met minstens twee soldaten te paard. Johannes draagt weinig opvallende kledij, maar het enige paard in de voorstelling licht prachtig wit op.

Dat brengt je ook op de gedachte wat voor soort paarden je nu precies ziet. Aan het op de juiste wijze weergeven van een bepaald paardenras deed hij echter niet. Ook in de catalogus wordt daar geen energie aan besteed. Volgens samensteller en Wouwerman-kenner Quinten Buvelot zou wetenschappelijk onderzoek naar de afgebeelde paardenrassen te veel tijd vergen. Aan specialisten van het type Sam Segal die een alles omvattend onderzoek heeft gepleegd naar bloemen, planten, vruchten en groenten in Hollandse stillevens, is ten aanzien van het paard in de kunst een groot gebrek. Verrassingen zoals bij Paulus Potter, wiens beroemde stier uit verschillende raskenmerken is samengesteld, zijn dus wel te verwachten. Anderzijds, zowel Buvelot als Frits Duparc, oud-directeur van het Mauritshuis en Wouwerman-kenner, definiëren voorstellingen met paarden in voorzichtige termen. Zo wordt een wit reispaard, met zijn grijsblauwe vacht mooi afstekend tegen regenrijke wolken een ’klepper’ genoemd, terwijl de titel naar een schimmel verwijst. Klepper is overigens niet een specifiek ras, het staat voor een klein type reispaard.

Opvallend is, dat hij zo weinig echte paardenportretten heeft geschilderd. Hij laat het beest hoogst zelden echt poseren, zoals de latere paardenschilder George Stubbs.

Wat maakt een schilderij nu tot een echte Wouwerman? Zijn werk kent behalve de paarden en de talloze figuurtjes een groot aantal constanten. Daar is allereerst de opbouw, de compositie van het landschap. Anders dan de geijkte landschapsschilders als Jacob van Ruysdael en Aelbert Cuyp die zich keurig aan het weergeven van een voorgrond, een tussenplan en een ijl verschiet hielden, vestigt Wouwerman meteen de aandacht op de groepsvoorstelling. Hij groepeert het gezelschap in een afgeplatte driehoek waaruit zelden een figuurtje losbreekt. Sterker nog, een van de flauwe hellinglijnen blijkt de opmaat voor een diagonaallijn te zijn die het landschap, de natuur of een fragment architectuur van de wolkenlucht scheidt. Het kan nog veel symmetrischer als de groep in de vlakke driehoek overhuifd wordt door een heuveltop die in het verschiet ligt en al even vaag driehoekig lijkt. Het lijkt erop dat Wouwerman deze driehoekige opbouw zelf heeft uitgevonden. Er zijn in de schilderkunst van de Gouden Eeuw weinig overeenkomstige composities te vinden. Pas in de 18de eeuw duikt de driehoek weer op, bij een galante schilder als Goya bijvoorbeeld. Het zijn dit soort innovaties die het bestuderen van Wouwermans werk meer dan waard maken, meer nog dan de waardering die zal uit gaan naar het boertige vermaak waaraan zijn gezelschappen zich te midden van plassende paarden én koters zich zo graag overgeeft.

mailIcon print |