opinie Wijsheid en lafheid lijken nogal eens hand in hand te gaan, getuige bijvoorbeeld het gezegde ’beter blo Jan dan dô Jan’, oftewel liever te voorzichtig zijn dan je aan gevaar blootstellen.
Sinds ik uit Amerika terug ben denk ik geregeld aan het ’gesprek’ tussen de Duitstalige Roemeense dichter Paul Celan en de Duitse filosoof Martin Heidegger. Het is een in de literatuur min of meer bekend geval. Cees Nooteboom schrijft in zijn boek ’Tumbas’, geschreven en gefotografeerd bij de graven van schrijvers, aangaande Celan: „Als ik voor zijn graf sta, moet ik denken aan het gesprek met Heidegger in zijn berghut in Todtnauberg, waarover Rüdiger Safranski schrijft in zijn boek ’Ein Meister aus Deutschland’.
Het wordt een gesprek zonder katharsis en verzoening maar resulteert in een geheimzinnig gedicht dat naar een opening zoekt en die toch niet vindt.” Celan was een groot bewonderaar van Heidegger, wiens gedachtengoed en aparte schrijfstijl ook dikwijls in zijn werk terugkeren. Heidegger op zijn beurt bewonderde Celan; toen deze in Freiburg een lezing zou geven riep hij de plaatselijke boekhandelaren op extra aandacht aan de gebeurtenis te geven. Maar er was een probleem, Celan was een jood, wiens ouders in de oorlog gestorven waren en zelf was hij in een werkkamp tewerkgesteld, en Heidegger had, althans enige tijd, met de nazi’s geheuld.
In 1967 was het zover, Celan bezocht Heidegger in zijn beroemde hut in Todtnauberg, in de hoop een woord van de wijsgeer te horen over zijn besmette verleden. Hoe kon een denker als hij voor de nazi’s gekozen hebben? Maar Heidegger begon er met geen woord over en de schuchtere Celan drong kennelijk ook niet aan. Schreef er wel een gedicht over: ’Todtnauberg’, hermetisch als de rest van zijn werk maar je proeft de frustratie er uit, en misschien ook wel de onderdrukte woede als hij met zijn ’Hoffnung, heute, / auf eines Denkenden / kommendes / Wort’ de paadjes naar Heideggers berghut beschrijft als ’Knüppelpfade’, knuppelpaden, natuurlijk geassocieerd met Duitse beulen.
Later beschreef Heidegger de ontmoeting als volgt: hij en Celan hadden elkaar ’zugeschwiegen’, elkaar toegezwegen, typisch Heideggeriaans taalgebruik. Drie jaar later, in 1970, pleegde Celan zelfmoord door in de Seine te springen. Het is een geval dat de gemoederen heeft beziggehouden en dat nog steeds doet. In het Amerikaanse schrijvershuis, waar we het er langdurig over hadden, vond iemand Heidegger een ’Asshole’ met z’n mooiklinkende ’zugeschwiegen’. Moeilijk hoor, niemand is bij dat gesprek, dat er dus eigenlijk geen was, aanwezig geweest, hoe kun je dan een oordeel vellen?
De Franse filosoof Jacques Derrida verdedigt Heidegger door te zeggen dat je over zaken als de holocaust en het nazisme toch niet zomaar met een paar woorden kunt praten. Zwijgen als wijsheid dus. Maar dan blijft toch staan dat Heidegger op menselijk vlak iets had kunnen zeggen tegen de arme Celan. Of misschien een stil, verontschuldigend gebaar, een troostende arm. Maar het werd niks, zoals zoveel hoopvol begonnen gesprekken over een pijnlijk onderwerp.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.