Vandaag neemt Mister Kernenergie, André Versteegh, afscheid van ’zijn’ Petten. Hij vertrekt nu kernenergie weer bespreekbaar is. Terecht, vindt hij.
Het is veilig en schoon: „Twee kerncentrales erbij zou een kwart van onze C02-uitstoot schelen.”
Juist op het moment dat hij met pensioen gaat, lijkt de geschiedenis zich te gaan herhalen. Als André Versteegh in 1969 aan de TU Delft afstudeert op de constructie van kernreactoren, geldt er een wachtlijst voor deze studievariant. In die dagen heeft kernenergie de toekomst. Dodewaard is net geopend, in Borssele is de eerste paal geslagen. De wereld ligt open voor de jonge kernfysicus.
Nieuwe kerncentrales schieten overal als paddestoelen uit de grond. Maar niet hier. Nederland heeft zijn aardgas. Dat moet eerst worden opgemaakt of verkocht en zorgt ervoor dat heikele beslissingen kunnen worden uitgesteld.
Langzaam keert het tij. Er komt een maatschappelijk protest op gang en hoewel kabinetten twee keer –in 1974 en 1985– besluiten nieuwe kerncentrales te bouwen, komt het er niet meer van. Vooral na het ongeluk in Tsjernobyl is het onderwerp taboe in Nederland.
Totdat de opwarming van de aarde het debat nieuw leven inblaast. Kernenergie wordt weer bespreekbaar. In Delft groeien de aanmeldingen bij reactorfysica, elektriciteitsproducent Delta vraagt een vergunning aan voor een tweede kerncentrale in Borssele en precies deze week start Versteeghs eigen werkgever, de Nuclear Research Group (NRG) in Petten, de vergunningsprocedure voor een nieuwe onderzoeksreactor.
En juist vandaag gaat Mister Kernenergie, André Versteegh (64), met pensioen. Bijna zijn hele carrière is gewijd aan de nucleaire zaak, maar valt precies in het bouwloze tijdperk. Dat moet frustrerend zijn. Maar nee hoor: „Ik heb met plezier gewerkt. Met kernenergie verkeer je in de frontlinie van de wetenschap en heb je niet te klagen over maatschappelijke belangstelling. Natuurlijk, het loopt in het leven altijd anders dan je verwacht. Ik had nooit kunnen denken dat wij hier in Petten de tweede leverancier van medische isotopen in de wereld zouden worden. Daarom zeg ik altijd: als je niet kunt voetballen, kun je proberen te gaan tennissen.”
Maar bijna was hij helemaal aan de zijlijn geëindigd. Eind 2001: Versteegh heeft meer dan dertig jaar als nucleair expert gewerkt voor het Energieonderzoekcentrum Nederland (ECN, in 1975 de opvolger van het Reactor Centrum Nederland). Van de ene op de andere dag zet de directievoorzitter van ECN, Frans Saris, hem op straat. Volkomen onverwacht kan dit niet zijn. Saris had al eerder laten blijken dat hij van ECN een centrum voor duurzame energie wilde maken en dat hij daarin geen plaats zag voor kernenergie.
Versteegh nam daarom in 1998 het initiatief om de nucleaire tak van ECN los te maken en samen met de afdeling kernenergie van de KEMA onder te brengen in NRG. Maar een incident bij de kernreactor van Petten was voor Saris drie jaar later alsnog aanleiding om Versteegh de laan uit te sturen. Dat zou niet alleen het einde van zijn carrière zijn geweest, maar ook de doodsteek voor de kernenergie in Nederland.
Maar het personeel accepteerde het ontslag niet en ging als één man achter Versteegh staan. Uiteindelijk was het Saris die bakzeil moest halen.
Uit deze geschiedenis komt het beeld naar voren van een gestaalde pleitbezorger van de kernenergie. Van een ouderwetse kernfysicus die maar niet begrijpt waarom publiek en maatschappij zijn prachtige centrales niet omarmen. De exponent van één kamp in een volkomen verstard debat.
Dat ziet hij zelf anders. „Als ik iets betreur uit mijn carrière, is het dat het debat lange tijd zo gepolariseerd is geweest. Als je niet vóór kernenergie was, was je tegen. En omgekeerd. Ruimte voor nuances was er niet. En als ik op een verjaardag zei wat voor werk ik deed, was ik daar de hele avond mee bezig. Op een gegeven moment dacht ik: ik zeg maar niets meer. Ik heb nog wel geprobeerd het debat te depolariseren. Een keer bijvoorbeeld, toen actievoerders zich hier aan de hekken hadden vastgeketend, heb ik ijsjes uitgedeeld. Maar ja, daar red je het niet mee.”
Wat dat betreft zijn de tijden veranderd, vindt hij. „De jeugd is rationeler, nuchterder. Ze gaan niet meer met zijn tienduizenden naar Borssele, of naar het Malieveld. Anderzijds informeren ze zich ook goed, waardoor ze genuanceerder denken. Maar ook de nucleaire wereld is met haar tijd meegegaan. We communiceren beter. Dat is niet alleen een kwestie van beter uitleggen, we betrekken mensen meer bij de besluiten.”
Hij noemt België en Zweden als goede voorbeelden. Als daar een besluit moet worden genomen over bijvoorbeeld de opslag van radioactief afval, krijgen betrokkenen financiële middelen om ook zelf onderzoek naar de veiligheid te laten uitvoeren. „Dankzij deze contra-expertise kunnen ze zelf een oordeel vormen. En dan denken ze veel genuanceerder. Mensen willen serieus genomen worden. Want kijk naar de ophef over de ondergrondse opslag van CO2 bij Barendrecht. Daar is een besluit genomen, en vervolgens gaan de autoriteiten het uitleggen. Zo moet het dus niet. Zo deden we het twintig jaar geleden ook met kernenergie; en wij hebben geleerd dat dat niet werkt.”
De vraag is of de nieuwe aanpak effectiever is dan de oude. Het is duidelijk dat kernenergie de wind mee heeft, maar is het voldoende voor een omslag in de publieke opinie? Versteegh gelooft erin. „Mensen beseffen dat de keuze niet meer vrijblijvend is. Je kunt niet zonder meer tegen zijn, en elke optie heeft nadelen. Zonder elektriciteitscentrales komt er geen stroom uit het stopcontact en doen al die apparaten het niet. Vervolgens: wij zijn degenen die afwijken. In Europa wordt een derde van de stroom met kernenergie opgewekt. Onze keuze, met maar 4 procent nucleair, is duur en levert veel CO2. Sommigen beweren dat atoomstroom duur is, maar dat is onzin. Waarom zou Nederland er anders zo veel van invoeren?”
Hij geeft toe dat het dan om bestaande centrales gaat die financieel allang zijn afgeschreven en daarom goedkoop kunnen leveren. „Nieuwe centrales –dat is een ander verhaal. Of die duurder zijn, hangt van allerlei ontwikkelingen af. De hoogte van de rente, de prijs van gas en olie. Ik denk dat het goedkoper is, en ik denk dat we niet zonder kunnen. In 2025 zou de elektriciteit in Nederland een kwart door kolen moeten worden opgewekt, een kwart door gas, een kwart duurzaam –zon en wind– en een kwart kernenergie. Voor duurzame bronnen zou het een vertienvoudiging van de huidige capaciteit zijn, dus een forse inspanning. En anderzijds: twee grote kerncentrales erbij. Samen zou dat de helft van onze CO2-uitstoot schelen.”
Maar is dat wel een verantwoorde route? De uraniumvoorraden zijn beperkt en wie nu voor atoomstroom kiest, zou de duurzame alternatieven de weg versperren. Versteegh kent de argumenten, maar wimpelt ze weg. „Met de nieuwe generatie kerncentrales geldt dat niet meer. Dat zijn kweekreactoren, die alle uranium gebruiken. Daarmee kunnen we nog duizenden jaren vooruit. En verdringing is niet aan de orde. Kijk naar Duitsland. Daar komt 40 procent van de stroom uit kernenergie, en de Duitsers maken heel veel gebruik van windenergie.”
Nee, in de ogen van André Versteegh is er maar één scenario denkbaar waarin kernenergie het niet zou redden. Een ongeluk als in Harrisburg of Tsjernobyl zou alles kunnen veranderen. „Daar is iedereen in de sector zich ook heel bewust van. Veiligheid staat voorop. En eerlijk hoor, als ik zou denken dat Tsjernobyl in Nederland niet uitgesloten was, zou ik tegen kernenergie pleiten.”
„Maar dat is niet aan de orde. Kerncentrales zijn fantastisch goede apparaten. De oude net zo als de nieuwe. Neem nou Borssele. De centrale werd gebouwd toen ik begon in dit vak. Nu ga ik met pensioen, en hij levert nog steeds betrouwbaar, schoon en goedkoop elektriciteit. Probleemloos. Borssele kan nog jaren vooruit.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.