*

 

Een recept voor Armageddon

Kees de Vré − 06/11/09, 00:00

Tim Lang, hoogleraar aan de Universiteit van Londen, wijst als expert in voedselpolitiek al decennialang op het gevaar van de manier waarop wij voedsel telen en eten. In oktober was hij tweemaal in Nederland voor een debat. Tussendoor sprak Trouw met hem over de onvermijdelijke veranderingen in ons menu.

  • (Trouw)
  • Het idee dat alles overal en altijd te krijgen is, werkt tegen ons, zegt hoogleraar Tim Lang. De keuze van de consument moet richting duurzaamheid gestuurd worden. (FOTO JÿRGEN CARIS, TROUW)

’Het westerse menu heeft zijn langste tijd gehad. De manier waarop wij in de rijke wereld eten is zo belastend voor de planeet, dat moet echt anders. Vooral de hoeveelheden vlees en zuivel die we eten moeten fors minder. Zo niet, dan is dat een recept voor Armageddon. Er is geen keus en daarom moet de westerse consument geen keuze meer worden geboden.”

Rustig formulerend, met onderkoelde humor en zonder enige stemverheffing spreekt Tim Lang zijn toch grote woorden uit. Hij is zeker van zijn zaak. Ter onderstreping van zijn argumenten somt de Londense hoogleraar af en toe de vele getallen op die hij zich in zijn lange carrière heeft eigengemaakt. Hij deed onder meer onderzoek naar voedseladditieven, naar obesitas, naar de manier waarop steden voor hun voedsel het platteland parasiteren, naar de macht van supermarkten in de voedselketen, naar het verband tussen armoede en slecht eten.

Als adviseur van de nationale overheid en de Londense burgemeester wees Lang, ver voor tv-kok Jamie Oliver dat deed, de politici op de slechte maaltijden die Britse scholen en ziekenhuizen serveren en de gevolgen daarvan. Hij bedacht als eerste – in 1993 al – de term foodmiles, om duidelijk te maken dat hetgeen wij op ons bord hebben liggen vele duizenden kilometers heeft gereisd, met alle klimaatgevolgen van dien.

Inmiddels staan vele van die onderwerpen hoog op de agenda. „Gelukkig wel”, zegt Lang. „Maar het gevoel van urgentie dat het anders moet, is nog veel te weinig bij beleidsmakers doorgedrongen. Voldoende voedsel was na de Tweede Wereldoorlog begrijpelijk de lakmoesproef van vooruitgang. Maar uiteindelijk leidde dat tot overproductie en obesitas. Het model dat we hanteren valt uit elkaar. De uitstoot van broeikasgassen bereikt zijn grenzen, de olie raakt op, de grond wordt uitgeput door het steeds maar weer verbouwen van grote hoeveelheden van dezelfde producten.

Maar wat een groter probleem is, is dat er een groot tekort aan water dreigt. Ons menu draagt daar zeer aan bij. Het produceren van een hamburger vergt 2400 liter water, een zak chips van 200 gram kost 185 liter, een kop koffie 140 liter. Door onze manier van eten halen we ook water uit droge gebieden weg. Zo halen we buiten het seizoen boontjes uit Kenia. Die worden daar geteeld in het droge noordwesten van het land, verbruiken dus veel voor de regio kostbaar water en worden vervolgens naar Europa gevlogen. Asperges uit Peru, hetzelfde verhaal. Het is gewoon neo-imperialisme.”

De politiek, die de kat de bel zou moeten aanbinden, kijkt de andere kant op, stelt Lang. „De heersende neoliberale ideologie laat alles aan de markt over. Grote bedrijven als Unilever, Tesco en Ahold zien dat regeringen in gebreke blijven en gaan zelf aan de slag. Zij willen echter de duurzaamheidsproblemen oplossen met veel technologie. Ze erkennen in ieder geval het probleem, dat is een stap vooruit. Maar er is veel meer nodig, een andere mentaliteit om te beginnen. Dat moet weer leiden tot een ander model. Ik zie echter niet dat de grote bedrijven zichzelf aan hun haren het moeras uittrekken. Dat zou de politiek moeten doen, maar die willen het niet zien. En zo slaapwandelen we de crisis in.”

Over de consument is Lang uitgesproken. „Die moet geen keuze meer voorgeschoteld krijgen. En dan bedoel ik de westerse consument. Wíj, Europeanen en Noord-Amerikanen, zijn het probleem. Wij met ons overdadig menu en ongebreidelde keuzemogelijkheden zijn de ’zware’ gebruikers die in snel tempo de natuurlijke hulpbronnen opmaken. Niet de hoeveelheid mensen is zozeer het probleem, maar de hoge welvaart. Het idee dat alles overal en altijd maar te krijgen is werkt tegen ons.”

Het uitgangspunt dat de goed opgeleide westerse consument wel de juiste keuzes zou maken is een illusie, zegt Lang. Bedrijven stoppen miljarden in reclame waarmee ze onze beslissingen sturen. Lang laat een dia zien met voetballer David Beckham die reclame maakt voor een coladrank. „Beckham is een door miljoenen aanbeden idool die ons verleidt tot het drinken van een drankje waarin minstens tien scheppen suiker zitten. Waardeloze voeding die ons ook nog eens dik maakt. Pornografie is het.”

Tegenover dit geweld zetten regeringen maar bar weinig, vindt Lang. En als regeringen al iets doen, is het veel te terughoudend. „Zo’n regering, ook de Nederlandse, zegt dan tegen consumenten: Als je duurzaam wilt eten, moet u daar zijn, bij het schap met biologische en fairtradeproducten. Dat is toch te vrijblijvend. Dat moet dwingender. Alles zal duurzaam moeten zijn. Er moet een publieke standaard komen voor duurzaam voedsel. Daaronder mag het niet verkocht worden. De keuze van de consument moet gestuurd worden richting duurzaamheid. Ik weet dat men in Groot-Brittannië bezig is met nadenken over zo’n geleide keuze. Er zijn al winkels – ook grote zoals Marks & Spencer – die alleen maar duurzame keuzes presenteren. Tot mijn verrassing is dat bij elkaar al 15 procent van de markt. Het schisma is al gaande.”

De veranderingen die voor Lang onontkoombaar zijn, zullen snel en radicaal moeten zijn, binnen tien jaar en over het gehele speelveld. Het westerse menu is ten dode opgeschreven. „Een dag per week geen vlees eten zet amper zoden aan de dijk. Een dag per week wel vlees eten is al een stuk beter. We zullen anders moeten gaan eten: meer lokaal geteeld voedsel, meer eten volgens seizoenen en groenten en fruit in de hoofdrol.”

Volgens Lang zullen overheden, bedrijven en burgers daarbij samen moeten optrekken. „Niet tegen elkaar, maar met elkaar werken. Dat alleen kan een radicale draai bewerkstelligen. Plaatselijk zijn er al allerlei initiatieven gaande, met stadslandbouw onder meer, om duurzame ketens te bewerkstelligen. Boeren en burgers organiseren voedselcoöperaties. Soms zijn daar ook plaatselijke winkeliers bij betrokken en hier en daar ook al de lokale politiek. Dat geeft me hoop.

Al die ideeën van onderop moet je koesteren. Het zijn gelukkig geen mannen in pakken, maar vooral vrouwen die de gemeenschap een oppepper geven. Het brengt een mentale draai ten goede met zich mee, maar het is niet genoeg. De politiek moet het voortouw nemen. Zij vertegenwoordigt het algemeen belang en dus de politieke legitimering. Alleen een voedseldemocratie kan de impasse oplossen. Een situatie zoals nu, waarin een paar enorme concerns bepalen wat wij eten kan niet meer. Alle middelen moeten daarbij aangewend: stimuleren, subsidiëren, dwingen. Ook rantsoeneren voor mijn part, hoewel dat weer leidt tot zwarte markten. Er moeten nieuwe culturele normen komen: geen chocola, maar wortels, zoiets. Maar ik ben optimistisch. De zaden van verandering zijn geplant.”

mailIcon print |