*

 

De spaarzame Nederlander bestaat al een tijdje niet meer

Jan Kleinnijenhuis − 29/12/09, 00:00

Het traditionele beeld van de spaarzame Nederlander moet op de schop. We leven al tien jaar op de pof, blijkt uit de statistieken van het CBS.

  • (Trouw)
  • (Trouw)

Nederland heet een spaarzaam volkje te zijn, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de op krediet levende Amerikanen. Maar ook in ons land blijken we al tien jaar meer uit te geven dan er binnenkomt, blijkt uit recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

In een artikel in Sociaaleconomische trends, dat ieder kwartaal verschijnt, beschrijven twee onderzoekers van het CBS het spaargedrag van Nederlanders sinds 1980 tot nu. Waar in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw ieder jaar een gedeelte van het beschikbaar inkomen opzij werd gelegd, keerde die trend rond de eeuwwisseling. Met uitzondering van 2001 en 2002, waarin het nieuwe belastingstelsel zorgde voor een forse inkomensverbetering, werd er dit decennium per saldo niet gespaard in Nederland.

De onderzoekers onderscheiden in het tijdvak 1980 - 2008 drie perioden. Van 1980 tot 1988 draaide de economie niet goed, met als gevolg een teruglopend inkomen. Consumenten zetten in die periode echter een grotere rem op de consumptie, waardoor zij alsnog geld overhielden om opzij te zetten.

In de jaren negentig gold het omgekeerde: de economie trok flink aan en de inkomenstoename was sterk. De consumptie groeide daarin mee, maar halverwege de jaren negentig is een omslag te zien. Waar in de eerste helft van de periode de inkomens nog sneller stegen dan de consumptie, was dat in de tweede helft precies andersom. Het spaaroverschot bleef positief, maar zette al een dalende trend in.

In het jaar 2000 werd voor het eerst méér uitgegeven dan er jaarlijks binnenkwam, en moest de consument dus ergens anders extra geld vandaan halen. Dat bleek, zo beschrijven de onderzoekers, vooral te komen uit de eigen woning en het aandelenbezit. Voor beide categorieën geldt dat in de jaren daarvoor de waarde flink was gestegen. Consumenten zagen daarmee naast hun normale salaris een extra bron van inkomen ontstaan.

Bij de eigen woning zorgden enorme prijsstijgingen ervoor dat er steeds meer ruimte kwam om hogere hypotheken af te sluiten. De marktwaarde van woningen is in de periode 1990-2008 bijna verviervoudigd, maar de hypotheekschuld die daar tegenover stond, groeide navenant. Al vanaf het midden van de jaren negentig is de hypotheekschuld steeds meer gebruikt voor andere aankopen dan de woning, of verbouwingen daarvan. In de jaren 1999 en 2000 is er zelfs twee keer zoveel hypotheek opgenomen als nodig was voor de aankoop of verbouwing van het huis.

In het effectenbezit gold eveneens dat het vooral de prijsstijgingen zijn die mensen aanzetten tot extra consumptie. Per saldo is er sinds 1990 voor 24 miljard aan aandelen en obligaties bijgekocht, maar zorgde waardestijging op de beurs voor een plus van 80 miljard euro. Daar staan slechte beursjaren als 2000 en 2001, en natuurlijk 2008, tegenover. In dat laatste jaar verdampte weer 67 miljard van de waarde van de effecten. En waar in 2000 en 2001 het verdampte aandelenvermogen nog werd gecompenseerd door snel stijgende huizenprijzen, lijken in de huidige crisis beide vermogenscomponenten te worden geraakt.

Hoewel de onderzoekers voor heel Nederland goed kunnen verklaren hoe de consumptie is gefinancierd uit eigen vermogen, wordt er wel een belangrijke kanttekening geplaatst. Alleen woning- en effectenbezitters hebben daadwerkelijk kunnen profiteren van duurdere huizen en stijgende beurskoersen.

mailIcon print |