*

 

’Vleeswijzer is niet genuanceerd genoeg’

Kees de Vré − 10/11/09, 00:00

In de Vleeswijzer van de Stichting Varkens in Nood komt biologisch rundvlees er onterecht slecht vanaf, meent veehouder Tom Saat.

  • Koeien in de boerderij van Tom Saat. Links moet de mest nog worden afgevoerd, rechts ligt vers stro.   ( FOTO JÿRGEN CARIS, TROUW)
    Koeien in de boerderij van Tom Saat. Links moet de mest nog worden afgevoerd, rechts ligt vers stro. ( FOTO JÿRGEN CARIS, TROUW)

Zijn toilet hangt vol met kaarten en tekeningen van zwartbonte herkauwers. Tom Saat, biologisch boer, heeft duidelijk iets met koeien. Hij reageert dan ook geprikkeld op de Vleeswijzer die de Stichting Varkens in Nood eind vorige maand uitbracht.

Dit hulpje bij milieu- en diervriendelijke keuzes zet de consument op het verkeerde been, zegt Saat aan zijn keukentafel in Almere. Biologisch rundvlees komt er, volgens hem ten onrechte, slecht vanaf.

„Ik begrijp wel hoe zij aan die uitslag komen”, zegt Saat. Hij bladert in het onderzoek naar dierwelzijn en milieubelasting van vleesproductie, waarop de Vleeswijzer is gebaseerd. „Ze gaan hierin uit van de verkeerde aannames. De verschillen in de manier waarop dieren worden gehouden, worden klein gehouden. Dat is discutabel. De manier waarop je met name runderen houdt, maakt voor mij wel degelijk verschil.”

Saat erkent dat elke koe, ook de biologische, via het voer CO2 uit de atmosfeer opneemt, maar dan houdt de vergelijking op. „Een gangbare koe krijgt zijn (kracht)voer vanuit, zeg, Brazilië in de vorm van soja. Daarvoor zijn vaak bossen gekapt en bovendien groeit de soja met behulp van met veel fossiele brandstoffen geproduceerde kunstmest. Die soja moet naar Nederland worden verscheept. De milieulast daarvan is duidelijk, maar er is meer.”

Saat tekent een lijn op papier om zijn argumenten te illustreren. „Een gangbare koe eet dat vervuilende buitenlandse voer en zet dat om in vlees en mest. Die omzetting is erg inefficiënt. Voor tien kilo plantaardig voer krijg je een kilo vlees en negen kilo mest. Die mest wordt in de grootschalige vleesindustrie niet gebruikt, het verdwijnt als afval het milieu in, hoewel het tegenwoordig soms ook in een biogasinstallatie wordt gebruikt. Dit is een lineair systeem met veel resten.”

Vervolgens tekent hij een cirkel. „Dit is mijn bedrijf. Ik sluit mijn kringlopen. Mijn koe begraast ’s zomers hier in de buurt het grasland en ’s winters krijgt zij voer dat ikzelf heb verbouwd, dus ik heb geen last van die vervuilende buitenlandse activiteiten. Die koe haalt met het gras wel CO2 uit de atmosfeer en maakt daarvan vlees en mest. Maar die 90 procent mest is niet puur verlies, zoals Varkens in Nood stelt en waardoor biologisch rundvlees er zo ongunstig vanaf komt. Die mest gaat de grond in. Ik gebruik het om mijn bodem, waarop allerlei gewassen worden geteeld, te verrijken met organische voedingsstoffen.”

„Elk jaar worden zo mijn bodem rijker en mijn gewassen beter. Ik krijg een beter landbouwsysteem. Bodemvruchtbaarheid is daarvan het hart. Die vleesproductie is voor mij geen doel op zich. Mijn koeien staan in dienst van de akkerbouw, maar ze zijn wel essentieel voor de kringloop. Een gezond landbouwsysteem krijg je als er balans is tussen al die factoren. Het eten dat wij op ons bord hebben, behoort uiteindelijk een afspiegeling te zijn van een gezond landbouwsysteem.”

Met zijn tachtig vleeskoeien zegt Saat een evenwicht te hebben bereikt op zijn bedrijf met 120 hectare akkerland. Maar hoe zit het dan met methaan, een gas dat vrijkomt als koeien boeren en scheten laten en dat veel vervuilender is dan CO2?

„Door mijn kringloop gaat CO2 uit de atmosfeer de bodem in. Dat is een methode met een zeer positieve opbrengst. Methaan is heftig, maar heeft een eigen kringloop, reageert met zuurstof en wordt na zo’n vijftien jaar omgezet in CO2. In mijn geval, als er evenwicht is, praat je wel over hoeveelheden die op het grote geheel zowat verwaarloosbaar zijn. Ik houd een positieve balans.’’

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />