Ouderen hebben met hun AOW-perikelen in 2009 het publieke debat beheerst. Maar hoe zien jongeren 2010 en hún toekomst?
We hebben een roerig jaar achter de rug, waarin de economische crisis en de dreiging van een grieppandemie het Nederland zo goed als onmogelijk maakten op normale wijze te functioneren. Ons gewoonlijk toch vrij terughoudende bestuur moest plots effectieve maatregelen nemen. Helaas is dat niet het sterkste punt binnen de Nederlandse politiek. Het was dan ook geen totale verrassing dat alle betrokken partijen in paniek tegenovergestelde richtingen uit holden.
Alle nuance smolt als sneeuw voor de zon. Wilde de één de AOW-leeftijd gewoon meteen verhogen, verklaarde de ander de mogelijke maatregel inhumaan en stelde een derde partij dat het allemaal via een ingewikkeld stappenplan moest gebeuren. Wanneer de coalitie stelde dat alle banken zonder al te veel voorwaarden gered moesten worden, gilde de rest van de Kamer dat Wouter Bos eigenlijk gewoon een slechte minister van financiën was en dat de crisis op hem afgeschoven mocht worden.
Van enkele oppositiepartijen waren we dit gedrag al langer gewend. Daarvoor zijn ze immers oppositie: Zegt de regering ja, dan zeggen zij nee. Dat werkte voorheen prima.
Op dit moment loopt het echter lichtelijk uit de hand. Nu de coalitie de Nederlander niet de daadkracht kan tonen die hij wil zien, is hij geneigd toch eens wat meer te luisteren naar wat de oppositie te zeggen heeft. Die beantwoordt de hernieuwde aandacht graag door haar eigen gedrag enorm te versterken. Waar eerst alleen massaal ’nee’ geroepen werd tegen de regeringsplannen, gooiden ze er nu vaak zelfs een extreem alternatief plan tegenaan.
Binnen no time vonden partijen als de PVV en de PvdD een manier om de besluiteloosheid van de regering maximaal uit te buiten. De crisis, de griep: voor Wilders lag dat allemaal aan de allochtonen. Wanneer zij ’onschadelijk’ gemaakt zouden worden, zou het hele rampenplan rondom de economie en nationale gezondheid al een stuk kleiner zijn.
Marianne Thieme paste diezelfde tactiek toe. Waar een discussie oorspronkelijk mee is begonnen, maakte haar niet al te veel uit. Ze zou hoe dan ook een brug slaan naar het welzijn van dieren.
’Gematigde’ oppositiepartijen dreigden de strijd om de kiezer te verliezen, die zelf inmiddels ook de indruk had gekregen dat mateloosheid het beste is voor het land.
Het werd een complete chaos in de Kamer. Alle middelen waren nu toegestaan om de daadkracht groter te maken of, in ieder geval, groter te doen lijken. Er werd gesmeten met moties, weggestampt uit debatten en geknutseld met choquerende uitspraken.
Alleen al in het debat in maart over het crisispakket werd het sluiten van een coalitieakkoord vergeleken met het productieproces van een worst, en zette Mark Rutte de staat neer als een peuter met obesitas. Wilders bood van Geel een dagtripje naar de Efteling aan en Alexander Pechtold stelde dat de paginanummers van de crisispakketnota de enige duidelijke cijfers erin waren.
Toegegeven: Het volgen van de politiek werd er een stuk leuker door. Je kon op een willekeurig moment de tv aanzetten om te genieten van de redelijk lachwekkende taferelen in de Tweede Kamer. Voorheen totaal ongeïnteresseerde burgers zien nu plots de lol in van een ’potje’ politiek.
Ook voor ons jongeren is dit het geval. Voorheen had ik nooit het idee dat we een duidelijke mening hadden over de richting die Nederland zou moeten kiezen. Nu verschillende partijen relatief extreme standpunten innemen, is het makkelijker geworden een mening te vormen over waar je als ’volgende generatie’ achter staat.
De nieuwe lompheid heeft wat dat betreft niet enkel slechte dingen gebracht. Maar wanneer het in Den Haag nog enkel draait om hard-tegen-hard spelen, lijdt Nederland daar enorm onder. In sommige landen werkt een nuanceloos beleid prima, maar de Nederlandse versie van democratie is juist gebaseerd op het vormen van een coalitie en dus op het sluiten van compromissen. Als geen tussenoplossingen gevonden worden, kan er überhaupt geen beleid komen. Dan zullen we dus van een relatief kleine daadkracht, naar nul daadkracht gaan.
Daarbij komt het feit dat met het verharden van de politiek ook haast onvermijdelijk het verwateren van de inhoud gaat. Beleidskundige kwaliteiten zijn het afgelopen jaar ondergeschikt geworden aan debattalent. Een deel van die ontwikkeling zou je misschien aan moeten moedigen: Het is belangrijk dat politici hun boodschap kunnen overbrengen aan ’gewone’ mensen.
Uiteindelijk draait het echter toch om inhoud. Neem bijvoorbeeld Obama: Een briljant spreker, maar zelfs hij zou met een leeg partijprogramma de verkiezingen hoogstwaarschijnlijk niet hebben gewonnen.
En dus moet er veel veranderen in 2010, waarschijnlijk meer dan de partijen bereid zijn te veranderen. Wanneer slechts één partij immers besluit weer een wat subtielere weg in te slaan, zal haar aanhang wellicht afdruipen.
Ook voor burgers is het moeilijk geworden nuance boven beloofde daadkracht te verkiezen. Voorheen stond het merendeel van Nederland achter het systeem van coalities en compromissen. In 2009 lijkt men helaas het gevoel te hebben gekregen dat de weinig concrete maatregelen van de overheid het resultaat zijn van een dergelijk systeem.
Het lijkt er dus op dat we voorlopig geen actieve verbetering in het politiek klimaat kunnen verwachten. Het hopen is dat verdere noodsituaties als de crisis uitblijven en dat zowel kiezer als politieke partijen langzaam weer tot bedaren komen.
Alleen dan zal 2010 een genuanceerd, inhoudvol en – dus – daadkrachtig jaar worden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.