Beroepsgenoten hebben kritiek op zijn proefschrift over ontwikkelingshulp, maar Wiet Janssen valt volgens zijn promotor niets te verwijten.
Wiet Janssen heeft gisteren gewoon zijn bul uitgereikt gekregen voor zijn onderzoek naar het management in ontwikkelingsamenwerking. Zeer scherpe kritiek van vier hoogleraren op zijn onderzoek, maar vooral op de Universiteit Twente, heeft een promotie niet kunnen voorkomen. „En terecht niet”, vindt Janssens promotor, hoogleraar Erik Joost de Bruijn.
Volgens De Bruijn, die de promovendus vijftien jaar begeleidde, is alles volgens het boekje gegaan. Het proefschrift is voorgedragen bij de promotiecommissie en die heeft positief geoordeeld. Een verklaring voor de scherpe kritiek van hoogleraren die alle vier hun sporen hebben verdiend op het terrein van ontwikkelingssamenwerking, heeft De Bruijn dan ook niet. „Ik heb geen flauw idee”, reageerde hij gisteren na de promotie.
De kritiek van de vier – Paul Hoebink (Radboud Universiteit Nijmegen), Jan Willem Gunning (Vrije Universiteit Amsterdam), Eric Smaling (Wageningen Universiteit) en Rob Visser (Rijksuniversiteit Utrecht) – komt hierop neer: Janssen heeft oude bronnen gebruikt en geen eigen onderzoek gedaan; hij selecteert alleen negatieve bevindingen en meldt negatieve bevindingen die niet worden gedragen door eigen onderzoek.
„Met de kritiek ben ik heel blij”, zegt De Bruijn. „Ik ben blij dat het onderzoek serieus wordt genomen. Want de problematiek is groot. Als daar discussie over ontstaat, verwelkomen wij dat.”
De Bruijn doelt op de bevindingen van Janssen dat ontwikkelingshulp in de huidige vorm geen bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van met name Afrika. Janssen pleit er overigens niet voor om de hulp af te schaffen, maar om het anders te doen.
Dat Janssen geen eigen onderzoek heeft gedaan, bestrijdt De Bruijn. De promovendus heeft naast bronnenonderzoek ook 29 interne documenten van het ministerie van buitenlandse zaken geraadpleegd en gesprekken met vijftien ministeriemedewerkers gehad. Hij heeft zeven politici bevraagd en drie experts. In totaal spreekt De Bruijn over 550 bronnen waarnaar wordt verwezen. De promotor weerspreekt ook dat Janssen selectief te werk is gegaan en onduidelijk is over de gehanteerde onderzoeksmethode.
Bij de promotie gisteren fungeerde hoogleraar Smaling als opponent vanuit de zaal. Hij stelde namens de vier hoogleraren dat het proefschrift in deze vorm nooit toegelaten had mogen worden. Ze waren van hun stoel gevallen bij het lezen ervan. Volgens Smaling wordt een complete sector in het proefschrift met de grond gelijk gemaakt. Dat mag, vindt hij, maar dan wel in een krantenartikel, een boek of een pamflet. In een proefschrift moeten de conclusies keihard zijn onderbouwd. Dat zijn ze volgens de vier niet.
Om maar eens een feit te noemen dat in Janssens onderzoek volgens Smaling ontbreekt: volgens kritische onderzoekers moet 1 procent economische groei aan ontwikkelingshulp worden toegeschreven. Een feit dat in het proefschrift op zijn minst gemeld of weerlegd had moeten worden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.