*

 

Het F-woord mag weer

Gijs Moes − 01/12/09, 16:28

"Je suis un fédéraliste Europeen." Dat zei Herman Van Rompuy, de Belgische ex-premier en aanstaand president van de Europese Raad, onlangs breed lachend op de Franstalige tv-zender RTBF.

In Frankrijk en België is ‘federalist’ een vanzelfsprekende term voor iedereen die de Europese gedachte een warm hart toedraagt en dus streeft naar een steeds verdergaande eenwording. Dat streven is ook opgenomen in het Verdrag van Rome, de basis die vijftig jaar geleden onder de Europese eenwording is gelegd.

In Groot-Brittannië is federalist daarentegen een scheldwoord, dat associaties oproept met gekonkel in Europese achterkamertjes, waar de champagne rijkelijk vloeit. Nederlandse politici nemen het ook niet graag in de mond, bang voor het verwijt dat ze het landsbelang niet voorop stellen.

Maar bij de feestelijke inhuldiging van het Lissabon-verdrag in het Europees Parlement viel het F-woord voortdurend. Federalisme was voor de aanwezige christen-democraten, sociaal-democraten, liberalen en groenen bepaald geen taboe. Zelfs een dappere Britse liberaal, Andrew Duff, durfde zichzelf federalist te noemen.

De liberale fractievoorzitter Guy Verhofstadt herinnerde nog even aan de Europese Grondwet, die sneuvelde in Franse en Nederlandse referenda. “Gelukkig is het Verdrag van Lissabon bijna hetzelfde als de grondwet”, suste de Belgische ex-premier, “maar dan zonder vlag en zonder volkslied”.

De Duitse christen-democraat Jo Leinen keek al vooruit naar de volgende stappen in de Europese eenwording: “We moeten nu toe naar echte Europese verkiezingen en niet langer 27 nationale campagnes voeren. Dan kunnen we ook een echte Europese regering vormen.”

De Nederlandse europarlementariërs schitterden door afwezigheid op dit federalistische feestje - op Marije Cornelissen van GroenLinks na. “Ik heb nog heel hard campagne gevoerd vóór Lissabon”, herinnerde zij zich. “En ik was helemaal kapot toen een meerderheid nee stemde.”

mailIcon print |