Claude Lévi-Strauss, de vader van de structurele antropologie, is overleden, 100 jaar oud. Een groot denker, maar niet altijd te volgen.
De Franse wetenschapper Claude Lévi-Strauss droeg vele labels: filosoof, etnoloog, antropoloog, structuralist. Poëet mag er ook bij. Aanvankelijk zocht hij zijn heil in de filosofie, maar in 1931 gaf hij de brui aan deze ’geest verdorrende’ discipline.
Lévi-Strauss verkaste naar Brazilië, waar hij expedities ondernam naar indianenstammen, wat resulteerde in reisverhalen, later te lezen in zijn beroemde werk ’Het trieste der tropen’. In 1941 zocht hij met vele andere joodse intellectuelen zijn heil in Amerika, als docent in New York.
De wetenschappelijke invloeden kwamen bij Lévi-Strauss van meerdere kanten: van linguïsten die ingewikkelde taalstructuren bestudeerden, en van antropologen die de functie van allerhande gedragingen beschouwden. Met het mengsel wat daar uit stolde in Lévi-Strauss’ geest trachtte hij de wetmatigheden te doorgronden in de vele cultuurgebruiken die hij tegenkwam: zoals riten, familiebanden en mythen. Vandaar het latere etiket: grondlegger van de structurele antropologie.
Je raakt als lezer snel achterop bij Lévi-Strauss. Niet zelden struikelde hij zelf over de diversiteit en chaos in het palet van menselijke gedragingen, waar hij toch een ordenend sjabloon op trachtte te leggen. Zoals op het variërende gebruik van maskers. Simpel gezegd kon hij duiden als de beste, maar voor sommigen met een te rijke theoretische fantasie.
In zijn peinzen over de verborgen structuren achter het alledaagse stond Lévi-Strauss ver af van tijdgenoot Sartre, die de mens absolute vrijheid toedichtte en gebood. Ontmoetingen met allerhande stammen en volkeren overtuigden hem er te zeer van dat ons leven zich niet in een vacuüm maar in een ingewikkelde samenhang voltrekt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.