Op 2 november 2004 werd Theo van Gogh vermoord in de Linnaeusstraat in Amsterdam. Vier meningen, vijf jaar na dato.
Als Theo van Gogh nog had geleefd en schrijfster Nahed Selim was hem op straat tegengekomen, dan had ze tegen hem gezegd: „Je bent een held. Jij begrijpt wat het belang is van de vrijheid van meningsuiting.”
Selim, tolk-vertaalster Arabisch, heeft een hekel aan het begrip martelaar. „Het is om geloofsredenen te veel misbruikt, maar als dat woord nog respectvol kón worden gebruikt, zou ik Theo van Gogh een martelaar voor de vrijheid van meningsuiting noemen.”
Youssef Azghari , columnist, had tegen een levende Van Gogh willen zeggen: „Probeer de inhoud van je boodschap eens wat anders te verwoorden”. Direct na de moord had Azghari willen praten met Lieuwe, de toen dertienjarige zoon van de cineast. „Ik had hem willen uitleggen dat de dader niet symbool staat voor de islam, maar dat hij een gedrocht is, iemand die in het geloof is doorgedraaid.
„Theo van Gogh had dingen anders kunnen zeggen, vind ik. Maar per saldo had ik hem liever dan een grijze muis. Hij was duidelijk in zijn opvattingen, hij had geen twee gezichten, zoals zoveel andere zogenaamde opinieleiders.”
Volgens politicoloog Sebastiaan van der Lubben zou Theo van Gogh nu hoofdredacteur zijn geweest van de dwarse weblog GeenStijl. „Ik zou tegen hem zeggen: ’Waarom heb je dat niet eerder gedaan?’”
Publicist Ibrahim Wijbenga zou, als Van Gogh niet in 2004 was vermoord, een kop koffie met hem willen drinken en hem vragen: „Ben jij nou echt zo bang? Denk jij echt dat de westerse beschaving superieur is aan andere beschavingen?”
Alle vier vinden ze dat Nederland is veranderd sinds de moord op Van Gogh. „Nederland is verhard”, vindt Azghari. „Mensen als Geert Wilders zijn het product van die verharding. Nederland is zijn onschuld en naïviteit kwijtgeraakt sinds de moorden op Fortuyn en Van Gogh. Dat waren eigenschappen die ik altijd heel mooi heb gevonden.”
De angst is toegenomen, zegt Van der Lubben. „De moord op Fortuyn kon je nog als een bizarre uitzondering zien, een daad van iemand die in de war was. Bij de moord op Van Gogh sloeg dat gevoel om in een soort van algemene vrees. Die angst is inmiddels geïnstitutionaliseerd door Wilders en ook door Ayaan Hirsi Ali. Als ik nu zie hoe Wilders sinds de moord op Van Gogh door beveiligers wordt ingesloten, dan is dat voor mij het bewijs dat Nederland grondig is veranderd.”
Het debat is scherper geworden en ook ernstig vervuild, vindt de Marokkaans-Nederlandse jongerenwerker Wijbenga. „Beledigen is de hoofdmoot geworden. De dialoog is weg.”
Bij Nahed Selim drong zich ’direct nadat Theo van Gogh was afgeslacht’ een gevoel op dat er in Nederland dringend zaken moesten veranderen. „Er moest een ander beleid komen om contacten tussen bevolkingsgroepen te verbeteren. Er moest aan migranten duidelijk worden gemaakt dat extremisme niet kan. Nederland zou een flinke politieke verandering moeten doormaken. Maar nu, vijf jaar later, is dat gevoel verdwenen. We zitten weer middenin de cultuur van concessies doen.”
De dag waarop Van Gogh werd vermoord, staat hen helder voor de geest. Van der Lubben: „Ik herinner me vooral het afschuwelijke beeld van dat laken met die bobbel waar dat mes in het lichaam stak.”
Wijbenga: „Ik kreeg een sms’je en ik weet nog dat ik dacht: God verhoede dat de dader een Marokkaan is. Dat was hij dus wel. Het was een zwarte dag, want de moord werd gevolgd door geweld tegen islamitische scholen. Ik realiseerde me dat er dus een soort haat in de samenleving sluimerde, dat er sprake was van onderbuikgevoelens.”
Selim: „Ik geloofde het niet toen ik het hoorde, ik stond met mijn mond open. Er drukte een heel zware steen op mijn borst.”
Een land waarin mensen elkaar met geweld een andere mening willen opleggen, is geen beschaving, zegt Azghari. „Dan verlaag je je tot het niveau van de taliban in Afghanistan.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.