Nederland dreigt zijn eeuwenoude cultuurlandschap te verliezen, waarschuwt hoogleraar Auke van der Woud in de Groeneveldlezing. Hier en daar wordt natuur terug verordonneerd, en dan komt er staatsnatuur voor in de plaats. En dan heb je nog de stad, met haar massaconsumptie en voedselwensen.
Stad en platteland hebben eeuwenlang in harmonie geleefd. Ze waren van elkaar afhankelijk en profiteerden van elkaar, maar nu is de stad de baas, zegt landschapshistoricus Auke van der Woud. ,,De stad bepaalt hoe Nederland eruitziet. Als de stad trek heeft, vreet zij het landschap kaal.’’
Zo dreigt Nederland zijn vaak eeuwenoude cultuurlandschap kwijt te raken en niemand komt daarvoor op, zegt de Groninger hoogleraar. Hij ziet met lede ogen aan hoe hier en daar natuur terug wordt verordonneerd, alsof zoiets beter zou zijn dan wat we nu hebben. ,,Het landschap dat we hebben, veelal landbouwgrond, voldoet kennelijk niet aan hoge eisen. We moeten er wilde natuur voor terug hebben! Maar de natuur die terugkomt is staatsnatuur, bedacht door ambtenaren in stedelijke kantoren en door de overheid gefinancierde natuurorganisaties. Wilde natuur bestaat niet in ons kleine land. Dat is een duur verzinsel, een toneelstukje dat met veel subsidie wordt opgevoerd door een bedrijfstak om u tegen te zeggen.’’
Van der Woud, die onlangs zijn Groeneveldlezing wijdde aan dit onderwerp, noemt als voorbeeld de Zeeuwse Hedwigepolder. Die was onlangs in het nieuws vanwege het verzet tegen het onder water zetten van die polder als compensatie voor het uitbaggeren van de Westerschelde en het daarmee gepaard gaand verlies aan natuur.
„Heel vreemd’’, vindt Van der Woud. ,,Zo’n polder is toch niet een steriel stuk land zonder enige context? Waarom heet een splinternieuw zoutwatermoeras natuur en honderd jaar oude landbouwgrond niet?’’
Bij een tweede recent besluit, de verlenging van de A4 bij Delfland, constateert Van der Woud dat opeens een andere definitie van natuur wordt gehanteerd. „Jarenlang is tegen die verlenging geageerd, want het loopt door een natuurgebied. Maar dat is gewoon weiland. Blijkbaar is een weiland nu wel van zo’n groot belang dat de aanleg van een snelweg jarenlang stilligt. Als compensatie biedt de minister de weilandbeschermers honderd hectare nieuwe natuur aan in een aanpalend gebied. Ik weet al hoe dat eruit gaat zien. Deze nieuwe staatsnatuur komt uit vergaderzaaltjes en zal stevig van bovenaf, uit de stad, worden gemonitord.’’
In zijn lezing schetst Van der Woud drie krachten die het uiterlijk van de wereld en ook Nederland hebben gevormd tot wat het nu is. De eerste is de overtuiging dat de mens boven de natuur staat en met het landschap kan doen wat hij wil. „Die houding zie je extreem terug in de landbouw. Omdat door de gekkekoeienziekte er geen beendermeel meer mocht worden gevoerd aan koeien, hebben we zonder blikken of blozen tientallen miljoenen hectaren regenwoud veranderd in sojaplantages. Dat afbreken van natuur vinden we normaal.”
De tweede pijler is het idee dat groeien goed is. „Door de fabelachtige ontwikkeling van wetenschap en techniek voelden wij westerlingen ons superieur aan alle andere volkeren, onderwierpen hen en namen bezit van hun grondstoffen.’’
Als derde noemt hij de overtuiging dat de cultuur van de stad superieur is aan die van het platteland. „Verstedelijking is een natuurlijk aspect van het leven geworden. In 2050 woont driekwart van de wereldbevolking in steden. De harmonie tussen stad en platteland is voorbij. De stad bepaalt en zal het platteland gebruiken als Lebensraum.’’
Die geleidelijk glijdende schaal ten nadele van de boeren en hun cultuurlandschap illustreert Van der Woud mooi aan de hand van een verschijnsel als ruilverkaveling. ,,De eerste ruilverkaveling begon in 1924 om het landschap bij Hollum op Ameland te moderniseren. Dat had echt zijn nut. Het waren honderden perceeltjes zonder behoorlijke afwatering en wegen. Na de herverkaveling waren er goede wegen en sloten en hadden eigenaars van soms wel dertig lapjes grond nu een aaneen gesloten stuk land. Zo kregen de boeren een beter leven. Na 1950 echter is ruilverkaveling groots aangepakt, over heel Nederland uitgerold. Inkomensverbetering van boeren was toen niet meer het motief. Het platteland moest worden gemoderniseerd. Dat betekende: aanpassing aan het moderne leven zoals dat in de stad normaal wordt gevonden.’’
Van der Woud koppelt zo het landschap aan de wensen van moderne stedelingen. ,,Het landschap is steeds meer aangepast aan de stedelijke massacultuur met hun massaconsumptie. Vooral de voedselwensen hebben invloed. Massavoedsel betekent normalisatie van de productie en normalisatie van het landschap. Een boerenbedrijf wordt tegenwoordig zo ingericht dat het voldoet aan de supermarktwens naar bijvoorbeeld rode kolen. Zo bepaalt de industrie en niet de natuur de kwaliteit van de moderne maaltijd. De industrie bepaalt daarmee tevens hoe het landschap eruitziet: grootschalig en eentonig. En die hang naar grootschaligheid zet zich alleen maar door.’’
Van der Woud zegt daarom best te begrijpen dat door deze ontwikkeling er behoefte is aan bescherming van het landschap. Hij ageert echter tegen wat hij ziet als de liefdeloosheid die veel natuurbeschermers tentoonspreiden bij het opdringen van hun idee van wat natuur moet zijn. „Het is belangrijk dat natuur wordt beschermd, maar het is onbegrijpelijk dat dit gepaard moet gaan met de vernietiging van historische cultuurlandschappen. Alsof dat geen nieuwe natuur is. Een voorbeeld: In het noorden is een gebied van 3200 hectare hooilanden. Die liggen daar al sinds de Middeleeuwen en hebben honderden jaren als waterberging gediend. Nu wordt de helft van dat gebied opgeofferd aan nieuwe staatsnatuur met als argument dat dat nodig is voor waterberging. Dat gebied wordt door Natuurmonumenten ontwikkeld. Vreemd, zo’n monumentbeschermer die een eeuwenoud landschap niet koestert, maar ontwikkelt tot een nieuw concept met uiteraard bevers en otters, zo’n heel rariteitenkabinet. Ik begrijp dit niet. Dat zware accent op recreatie kan toch ook in de context van de landbouw. Natuur- en milieuclubs domineren me te veel het debat over de toekomst van het Nederlandse landschap. Zij willen alleen hún natuur op hún grond. Erg jammer dat er niet een dergelijke lobby is voor het cultuurlandschap.’’
Van der Woud denkt die kloof te overbruggen door nieuw beleid waarbij bescherming van het cultuurlandschap wordt gekoppeld aan de bescherming van de voedselkwaliteit. Hij ziet hier een belangrijke rol weggelegd voor de biologische boer. „Op beide terreinen is de overheid slordig en zorgeloos bezig, blijkbaar in het volste vertrouwen dat de markt het allemaal wel oplost. Over het landschap hebben we het gehad, het denken en doen daar worden te veel gedomineerd door clubs die te veel letten op bloemetjes en beestjes. Maar ook bij voedsel is die zorgeloosheid onrustbarend. Dat agrofoodcomplex, zoals het zo liefkozend wordt genoemd, moet in het algemeen belang scherp in de gaten worden gehouden. Het zijn maar een paar spelers, met vertakkingen in de wetenschap en overheid, die de voedselmarkt domineren. Weinig mensen nemen beslissingen die vaak verstrekkende gevolgen hebben. We hebben bij de bankensector gezien hoe fataal het is als er machtige monoculturen ontstaan. Een bankencrisis hebben we overleefd, maar wat gebeurt er als er een internationale voedselcrisis ontstaat?’’
Het wordt hoog tijd voor een kritische blik op de industriële voedselketens en het landschap dat daarbij hoort, vindt Van der Woud. „Die kritische blik, die is er. Dat is de biologische boer. Die ageert tegen de praktijk die van voedsel een zo goedkoop mogelijk massaproduct heeft gemaakt, met roofbouw, verspilling en uitbuiting tot gevolg. De bioboer leidt helaas een marginaal bestaan. De overheid zou vanwege het algemeen belang die kritische factor sterk moeten ondersteunen. Net zoals zij haar eigen oppositie financiert met de natuur- en milieuorganisaties. Dan sla je twee vliegen in één klap, want die biologische boer is vaak ook de hoeder van historisch cultuurlandschap. Dan heb je kwalitatief goed voedsel én interessante natuur, die niet op een stedelijk kantoor is bedacht, maar historisch zo is ontstaan.’’
Nederland heeft een ongelooflijk rijke variatie aan landschappen, stelt de historicus. ,,Dat moeten we koesteren en omdat de landbouw daarvan de economische drager is, moet je de boer steunen die dit landschap in stand houdt. Het toekomstig landschap moet niet voor het goedkoopste, maar voor het beste voedsel worden gebruikt. Daar hoort zo’n soort boer bij.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.