Alex Katz behoort tot de beroemdste Amerikaanse schilders. Museum Kurhaus in het Duitse Kleve verheldert zijn positie in de kunstwereld met een spannend overzicht.
Licht, daar gaat het om in de schilderijen van Alex Katz (1927 Brooklyn, NY). Dat is ook de verrassende uitkomst na het zien van een zorgvuldig samengesteld overzicht van zijn doeken en cut outs in het vlak over de grens bij Nijmegen gelegen Museum Kurhaus Kleve. Verrassend omdat Katz die ondanks zijn populariteit in Nederland zelden te zien is, gebruikelijk tot de pop art wordt gerekend.
De vertegenwoordigers van deze stijl (de eerste generatie met Warhol, Lichtenstein, Johns en Rauschenberg, de tweede generatie met Ruscha) hadden niet veel op met dit bij uitstek schilderachtige middel. Ze meden in een poging om het alledaagse bestaan te banaliseren alle vormen van wat maar zou neigen naar een romantische uitbeelding. Eerlijk gezegd heeft Katz ook weinig met romantiek. Wel houdt hij trouw vast aan schilderstradities en is hij tegen elke vorm van banaliseren.
Blijft de vraag: wat blijft er van Katz’ pop art achtige benadering over na het zien van deze tentoonstelling die een initiatief is van het Sara Hildén Museum in het Finse Tampere (waar Katz verzameld wordt) en ook het museum van Grenoble aan deed?
Katz ontleent zijn portretten van levende mensen uit zijn naaste omgeving, aan de dagelijkse realiteit. Aanvankelijk schilderde hij portretten en figuren zonder enige context, dat wil zeggen dat hun omtrekken tegen een egaal ingekleurde achtergrond worden weergegeven. De anatomische vormen kloppen wel, maar ze staan in een anonieme ruimte die even goed een landschap of een kamer kan zijn.
Met zulke schilderijen trok hij eind jaren ’50 flinke belangstelling. Het was de tijd van het abstract-expressionisme dat aan de boorden van de Hudson River met niet nalatende ijver werd uitgedragen door schilders als Franz Kline, Willem de Kooning, Barnett Newman en Clyfford Still. Hun werk was door en door abstract. De aanhangers van deze stijl kantten zich fel tegen elke vorm van realisme. In hun ogen was dat al te Europees, en dus niet van de nieuwe wereld.
Katz zou het realistische moment in zijn werk nooit meer laten vallen. Zelfs niet toen de toch al zo eendimensionale figuren van zijn schilderijen eerst als vrije vormen op hout en kort daarna op dunne stalen platen werden uitgezaagd.
Met deze cut outs bereikte Katz nieuwe dimensies. Zijn figuren – hij schilderde bekenden, familieleden of zijn eigen vrouw – zijn zo plat als een muntstuk, maar ze hebben wel een betekenisvolle voorzijde en een dito achterzijde. En ze staan in de ruimte, niet als reliëfs maar als vrijstaande driedimensionale figuren.
Door een perfecte inrichting slaagt het museum er in om de cut outs zodanig op te stellen dat ze, geplaatst tegen een witte muur, ook dan geen context krijgen. Zo iets als 2,5 dimensie.
Katz gaat daar heel ver in: als hij een echtpaar uitsnijdt, laat hij hen op een stoel rusten waarvan alleen een deel van de rugleuning in beeld komt. Dat is realisme, maar geen naturalisme en zeker geen fotorealisme al lijkt Katz soms wel met foto’s als reminder te werken.
Bij het woord portret denk je snel aan een rake kenschets van de afgebeelde persoon. Bij Katz is daar geen sprake van. Hij mijdt psychologische duiding (wat ze in figuurlijke zin ook al eendimensionaal maakt) en schept eigenlijk meer concepten van portretten. De blikken mogen doordringend zijn, maar ze zijn zonder betekenis.
En hoewel de afgebeelde figuren veelal en face worden weergegeven, kijken ze langs de beschouwer heen in een peilloze diepte waar geen contact meer mogelijk is.
Hij maakt zorgvuldige choreografieën, zet de lijnen uit waar langs hij denkt dat zijn mensen zich bewegen, als dansers die zich vrij hebben gemaakt van zwaartekracht en ruimte. En zet ze in als drager van het licht dat lichtvoetig maakt en snelheid geeft.
Licht is altijd aanwezig, als belangrijkste motief, als manier van denken, maar bovenal als bewijs van het feit dat het leven een vluchtig moment is. Licht is aanwezig in de figuren en portretten, maar ook in de bosgezichten en stadsgezichten. Ook daar geeft hij geen context: een donker flatgebouw bij avond bestaat bij de gratie van de verlichte ramen, een bos wordt zonder einder, zonder kadrering weergegeven met alleen lichtpatronen op warrelende bladeren.
Zonder illusies wordt ook het realisme op scherp gezet, met als gevolg dat je aan elk bewijs van werkelijkheid gaat twijfelen. Katz wil geen verhaal, maar hij biedt wel de mogelijkheid dat de kijker er zijn eigen waarheid aan kan vastknopen. Wie naar symboliek zoekt, zal dat vinden, maar het zijn tegelijk lege symbolen, waaraan je je hoogstens kunt spiegelen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.