*

 

Wij in het Westen wisten natuurlijk wel beter

Elma Drayer − 12/11/09, 00:00

Toevallig doorkruisten we maandag het land waar destijds de grote verandering plaatsvond. Welke radiozender we onderweg ook opzetten, het ging over Zwanzig Jahre Mauerfall. En de teneur was al even miezerig als de regen die uit de hemel viel.

Wat had de vrijheid gebracht? Ongebreideld kapitalisme. Hebzucht. Consumptiedrift. Het Westen had zijn materialistische normen en waarden opgedrongen. Wat was het Oosten daar welbeschouwd mee opgeschoten?

Mijn gedachten dwaalden af. Hoe zou het toch gaan met Z., mijn Oost-Europese correspondentievriendin?

In het voorjaar van 1976 reisde ik met een bus vol eindexamenleerlingen af naar het toenmalige Tsjechoslowakije. Het zou de eerste keer zijn dat ik in het reƫel bestaande Oostblok kwam. En de laatste, maar dat wist ik toen nog niet.

Uiteraard waren wij, als gehoorzame kinderen van onze tijd, links angehaucht. De berichtgeving over de misère achter het IJzeren Gordijn leek ons behoorlijk overdreven. Of op z’n minst verdacht. Meer in het algemeen meenden we dat het Westen best een toontje lager mocht zingen. Alsof het hier zo paradijselijk was.

Eenmaal achter de grensposten, liet een en ander zich wat minder makkelijk relativeren. We ontmoetten leeftijdgenoten die wel degelijk hunkerden naar de vrijheid waarover wij de schouders op haalden. Nu ja, dachten wij in onze linkse nuffigheid, die wisten natuurlijk niet beter. Zouden ze naar het Westen reizen, ze kwamen er snel genoeg achter hoe het werkelijk zat.

In een provincieplaats bezochten we de plaatselijke handelsschool. Daar raakte ik aan de praat met Z., een paar jaar ouder, giechelend, blinkende oorbellen, vrolijke blik. Binnen vijf minuten hadden we adressen uitgewisseld. We beloofden elkaar te schrijven.

Niet lang daarna deelde ze per brief mede dat ze een visum voor Nederland probeerde te krijgen. Begin december was het al zover. Ze arriveerde per trein in Amsterdam, de stad waar ik inmiddels studeerde en woonde. Ik had enige moeite haar te herkennen op het Centraal Station. Ze droeg een spectaculaire bontmuts.

Mijn logee bleek nogal speciale wensen te hebben. Musea vond ze slaapverwekkend. Het Begijnhof, een rondvaart door de grachten, de Oudhollandse sinterklaasviering in mijn ouderlijk huis – ze keek verveeld om zich heen. De James Bondfilm die in de bioscoop draaide daarentegen wilde ze per se zien. En ze leefde pas echt op toen ik haar meenam naar de Bijenkorf en de Kalverstraat. Geen etalage ontglipte aan haar glinsterende ogen.

Tegen het einde van de week sprak ze haar diepste verlangen uit: een bezoek aan het racecircuit in Zandvoort. Ze was nu eenmaal verzot op snelle auto’s, zei ze. En dit was haar enige kans. Ik denk dat mijn mond nog net niet openviel. Gelukkig was een van mijn huisgenoten zo goeiig haar op dit uitstapje te vergezellen. Het was, zei Z. toen we haar weer op de trein naar het Oosten zetten, het hoogtepunt van de logeerpartij geweest.

Ons liet ze in niet-geringe politieke verwarring achter. Hoe was het mogelijk, zeiden we tegen elkaar, dat iemand uit het Oostblok uitsluitend belangstelling toont voor alles wat wij beschouwden als malle uitwassen van het kapitalisme?

Kennelijk dachten wij dat achter het IJzeren Gordijn totaal andere wezens woonden. Maar nee. Ze bleken daar grosso modo net zo leuk of vervelend, boeiend of saai, onthecht of materialistisch te zijn als wij. Eigenlijk waren het, zeg maar, net mensen.

Het contact met Z. verwaterde. Ik herinner me nog een trouwkaart, een geboortebericht. Daarna werd het stil. Hoe het nu met haar is – geen idee.

Maar dat haar land tegenwoordig twee racecircuits telt, zal haar zonder twijfel deugd doen.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />