Kijk eens met onafhankelijke blik naar ontwikkelingshulp. Dan kan het misschien beter.
De evaluatie van Nederlandse ontwikkelingshulp gaat mank. Nodig is onafhankelijk onderzoek om inzet en resultaten goed te kunnen beoordelen. Dat kan leiden tot een andere, meer volwassen relatie met ontwikkelingslanden.
Paul Hoebink betoogt op Podium (8 december) ondermeer dat onderzoek van Buitenlandse Zaken ’een eerste stevig houvast’ zou bieden om het effect van ontwikkelingshulp goed te kunnen beoordelen. Maar het probleem is juist dat BZ belanghebbende partij is, en dus per definitie niet geschikt om dergelijk onderzoek uit te voeren. Het systeem van ontwikkelingshulp en onderzoek naar resultaten zit gevangen in het onderlinge belang waarbij continuering centraal staat en niet zozeer kritische evaluatie.
Dat is ook logisch. Om opnieuw ontwikkelingsprojecten te kunnen uitvoeren, moet in dit geval BZ projecten evalueren op een wijze die aantoont dat er daadwerkelijk resultaten zijn geboekt. Dat is geen kwade opzet maar het gevolg van de terechte verantwoordingsplicht: wij steunen pas projecten als er resultaten getoond kunnen worden en die bouwen we bij de aanvraag alvast in zodat we budgetverantwoord kunnen toewijzen.
Dat evaluatief onderzoek in weinig gevallen leidt tot beĆ«indiging van projecten laat zich dus raden. Een mooi voorbeeld daarvan is het CBI, een agentschap van BZ dat zich richt op de bevordering van de export uit een aantal geselecteerde (ontwikkelings)landen. Een daarvan is Bolivia. De relatie met de Nederlandse ’ontwikkelingshulpindustrie’ duurt al 40 jaar duurt en heeft niet tot enige substantiĆ«le verbetering van de Boliviaanse economie heeft geleid. Geen enkele reden voor BZ om kritisch te kijken naar de activiteiten van zijn agentschap ter plekke.
Het voorbeeld laat in de kern zien waarom de hulpindustrie een eigen dynamiek heeft gekregen die ontwikkeling eerder in de weg staat dan ondersteunt. En daar is wel degelijk onderzoek naar gedaan. De Amerikaanse economen Raymond Fisman en Edward Miguel laten in het boek ’Economic gangsters’ (2008, Princeton University Press) overtuigend zien op welke wijze corruptie, geweld, armoede en ontwikkelingshulp samenhangen. Ze tonen ook op welke wijze die spiraal doorbroken kan worden met het voorbeeld Botswana: als de regering het heft in eigen hand neemt en haar inkomsten uit diamanten gebruikt voor het welzijn van de eigen bevolking.
De Amerikaanse onderzoekers ondersteunen het betoog van de Zambiaanse econome Dambisa Moyo. Die houdt de ontwikkelingsindustrie een pijnlijke spiegel voor. Geen middel wordt dan ook geschuwd om haar persoonlijk in diskrediet te brengen: ze overdrijft, ziet er te glamarous uit enzovoorts.
Als Afrikaanse landen in staat gesteld worden om de wereldmarkt te betreden met hun producten en daarbij profiteren van kennisuitwisseling met westerse bedrijven, dan kan het heel snel gaan met de ontwikkeling. Zo laten Ghana, Mozambique en Oeganda groeipercentages zien van rond de 6 procent.
De Chinese bemoeienis met Afrika kan dan ook een blessing in disguise zijn, net als die van onze eigen bloementelers in Kenia die bijdragen aan export en werkgelegenheid zonder verdere bemoeienis van het agentschap voor exportbevordering CBI.
Dat dergelijke instellingen zichzelf hebben overleefd toont de activiteiten in Zuid Afrika aan: een land waarin een grote multinational van eigen bodem zelfs in staat is een Nederlands biermerk over te nemen. De Zuid-Afrikanen hebben echt geen exportbevordering nodig, maar een regering die verder gaat op de goede weg om de welvaart in het land te spreiden en te bevorderen door een gezonde economische politiek.
Goed en onafhankelijk onderzoek kan verder onderbouwen op welke wijze een ontwikkelingspolitiek vorm kan krijgen die hulpvragende landen serieus neemt door een volwassen relatie met ze aan te gaan. Daarbij zou de kern kunnen zijn op welke wijze wij (economisch) profiteren van elkaars kennis, grondstoffen en markten. Daar valt nog heel wat te onderzoeken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.