In Ierland beland ik in een haventje. Een winkel, een pub, een rijtje huizen achter pastel gesausde gevels. Een kleine baai tussen de rotsen met een brede waterlijn van kelp.
Verankerde vissersscheepjes dobberen in het blauwgroene water. Hun nauwe eenpersoons stuurhutten wiebelen boven bolle scheepsbuiken. Een verweerde trap van steen verdwijnt in het water. Je zou er afdalen en voor altijd onder blijven. Ik daal af maar kom minder ver. Van een plateautje op zeeniveau dringt een scherpe stank mijn neus binnen. Ik houd mijn adem in en werp een blik in de container die er staat. De container zit tot de rand vol met wulken. Rottende wulken. Mijn slijmvliezen schroeien. Wegwezen!
Wulken zijn forse slakken. Hun slakkenhuis kan wel tien, twaalf centimeter hoog worden en is dik en stevig. Wulken eten zeevlees en aas. Ze staan zelf op het menu van de mens. In Nederland was de wulk zeer algemeen in de Waddenzee en voor de kust. De Afsluitdijk en visserij deden het dier de das om. In de Waddenzee is de soort uitgestorven. In de Noordzee leden wulken onder tributyltin, een vergif in tinhoudende verf voor scheepsrompen. Het goedje remde de aangroei van zeepokken. De hormoonhuishouding van wulken en purperslakken raakte erdoor ontregeld. De slakken werden onvruchtbaar.
Het gif is verboden en ik vind soms weer eierkapsels van wulken. Levende wulken vind ik nooit. Dode des te meer. Er liggen er miljoenen begraven onder het zand. Telkens waaien er nieuwe bloot. Witte, blauwe of bruine wulken. Kaal, met zeerasp of slijtplek van een heremietkreeft. Maar altijd met de opening rechtsonder. Altijd? Nee, maar dat leest u maandag.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.