Heeft een vis gevoel? Het antwoord roept lastige vragen op. Over hoe we vis kweken maar ook over hoe we vis doden.
Vis ziet steeds minder vaak de zee. Bijna de helft van de vis op ons bord wordt tegenwoordig gekweekt, in bassin, net of vijver. Dat percentage zal door overbevissing alleen nog maar stijgen, is de verwachting.
Gert Flik, hoogleraar dierfysiologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, beziet deze ontwikkeling met gemengde gevoelens. „We moeten voorkomen dat de kweekvis de nieuwe stresskip wordt”, zegt de bioloog die zich specialiseerde in vissen en hun gedrag. Hij vreest voor de kweekindustrie dezelfde taferelen als in de begindagen van de vee-industrie. Toen had dierenwelzijn nauwelijks enige betekenis. Legbatterijkip, kistkalf of varken-aan-een-ketting waren de praktijk. En ondanks het feit dat in Nederland al ruim 25 jaar vis wordt gekweekt, gelden hiervoor geen eisen voor dierenwelzijn.
Maar maakt het de vis dan wat uit hoe of waar die groeit? Hebben vissen dan zoiets als een gevoel? „Ik heb het ze natuurlijk nooit gevraagd”, zegt Flik. „Maar vissen zijn een gewerveld diersoort en die beschikken, net als mensen, over een stresssysteem, inclusief stress, pijn en angst.” Wie het gedrag van vissen observeert, kan dat zelf waarnemen. „Tegenwoordig is het trouwens ook op moleculair niveau aantoonbaar.”
Zo zitten er in huid, bek en vinnen receptoren en zenuwuiteinden die in contact staan met de hersenen. Vissen zijn verder in staat de signalen die ze ontvangen te vertalen in gedrag. „Stress betekent letterlijk ’belasting’. Dat wil zeggen: er wordt via een stressrespons aanspraak gedaan op de energiehuishouding. Sla je een vis een haakje door de bek, dan nemen de receptoren in de bek dat waar, spelen een signaal door naar de hersenen, waarop de stressrespons volgt: wegwezen!”, legt Flik uit. Verder kan in vissenbloed acute stress worden aangetoond door het gehalte ’stresshormonen’ – cortisol en adrenaline – vast te stellen.
Dat stresssysteem maakt vissen gecompliceerde wezens om in gevangenschap te houden. Ze kunnen gemakkelijk van slag raken in een omgeving die niet overeenstemt met waar zij van nature goed voor zijn toegerust. En dat kan weer ongewenst gedrag, problemen met de groei, gezondheid of zelfs de dood tot gevolg hebben. Fysische stressfactoren spelen daarbij een rol, zoals de waterkwaliteit, het zuurstofgehalte, de hoeveelheid licht of het ritme van het licht. Maar ook psychische factoren, zegt Flik. „Te veel vis in een bassin, om de productie op te voeren bijvoorbeeld. Maar stress kan ook ontstaan bij isolatie. Het op grootte sorteren van vis, wat in een kwekerij regelmatig moet gebeuren, is ook zo’n bekende stressfactor. Vissen houden er niet van om vastgepakt te worden.”
Wat voor het dierenwelzijn nu precies de beste kweekomstandigheden zijn, is niet altijd even duidelijk, zegt Flik, die zelf met zijn vakgroep werkt aan onderzoek naar agressie en kannibalisme onder de meerval, in Nederland een populaire kweekvis. „Je kunt zeggen, en dat zeggen veel kwekers natuurlijk: de vis groeit, dus dan valt het met die stress wel mee. Want voor groei is immers energie nodig. Maar dat is mij wat te gemakkelijk. Vis kun je immers ook gewoon vetmesten.” Flik bepleit daarom meer onderzoek naar dierenwelzijn van kweekvis. „Alleen als je de biologie van de vis leert kennen, kun je het dierenwelzijn verder verbeteren.”
Een belangrijk punt van dierenwelzijn is natuurlijk het doden van vis. Op zee is dat al een groot probleem. Flik: „Het begint al met het boven water halen. Vissen ervaren dat als erg stressvol. Ze liggen bovendien vaak op elkaar in die netten, wat de acute stress alleen nog maar groter maakt.” Die ellende wordt nog een graadje erger zodra de vis op het dek ligt te happen naar lucht, het zogenoemde verstikken. „In feite liggen ze dan te stikken in de lucht”, zegt de Nijmeegse hoogleraar. Het is een onderwerp waar vissers vaak hun schouders over ophalen, is zijn ervaring. „En vanuit de huidige praktijk is dat ook begrijpelijk. Maar als je het hebt over dierenwelzijn, kan je daarvoor je ogen niet sluiten.”
Onderzoek van Britse en Nederlandse wetenschappers uit 1996 laat zien dat het verstikken van bijvoorbeeld schol moeizaam kan verlopen. Het onderzoek is verricht door Bristol University en het Rivo-dlo (tegenwoordig Imares, het visserij-instituut van Wageningen Universiteit) en is sindsdien niet meer herhaald. Acht procent van de schol die de onderzoekers probeerden te verstikken, toont na drie uur nog steeds tekenen van gevoeligheid.
De dood kan een zetje krijgen door, zoals op zee ook gebeurt, de vis te ontdoen van ingewanden – strippen. Toch vertoonde na vijftien tot twintig minuten een op de vijf gestripte schollen een ’weliswaar traag, maar gecoördineerd zwemgedrag’, noteren de onderzoekers.
Het doden van vis kortom, leidt tot een praktijk die voor varkens, kippen of koeien maatschappelijk onbespreekbaar zou zijn. Voor deze dieren geldt immers de wettelijk eis dat de dood binnen een seconde moet zijn ingetreden. „Die eis zou dus ook moeten gelden voor vissen”, vindt Flik.
Er zijn wel gunstige uitzonderingen, zoals bijvoorbeeld de Noorse zalmindustrie. Die zalm wordt bijvoorbeeld elektrisch verdoofd, krijgt een klap op de kop of een pin in de hersenpan, waarbij acute verdoving optreedt. De Noorse overheid heeft de industrie daartoe met ingang van volgend jaar wettelijk verplicht, na ruim tien jaar onderzoek. En de zalmindustrie wordt gedomineerd door kapitaalkrachtige multinationals.
De Nederlandse kweeksector is heel anders georganiseerd. Particulier ondernemerschap voert de boventoon. De sector is nu nog zo’n zestig bedrijven groot en de meesten laten uit oogpunt van efficiency en hygiëne hun kweekvis op een viertal centrale locaties in Nederland doden en verwerken. Behoefte aan pottenkijkers hebben de kwekerijen daarbij niet. „De ngo’s hijgen in ons nek”, aldus Wim van Eijk, secretaris van de Nevevi, de Nederlandse Vereniging van Viskwekers. „Pas als we nieuwe verdovingsapparaten hebben, mag iedereen komen kijken.”
Gelukkig beschrijft het rapport waaraan Imares meewerkte ook de Nederlandse praktijk uitvoerig. Zoals het zogenoemde ’doodkruipen’ van paling, waarbij deze vis helemaal niet dood blijkt te gaan, niet eens bewusteloos raakt. De paling, een zeer sterke vis, raakt bij doodkruipen alleen zijn slijmlaag kwijt, wat hem bij de slacht hanteerbaarder maakt. Maar het zout dat bij het doodkruipen op de paling wordt gestrooid, leidt volgens de onderzoekers tot ’zeer heftige bewegingen’. „Er zijn geen aanwijzingen dat bewusteloosheid intreedt.”
Ook een andere populaire verdovingstechniek in de kweek, het onderkoelen van vis op ijs of in ijswater, voldoet niet aan de normen van de Gezondheid- en Welzijnwet voor Dieren. Meerval bijvoorbeeld, blijft na terugplaatsing in natuurlijke omstandigheden nog urenlang in leven.
„Onderkoeling is bovendien stressvol voor een vis”, zegt Hans van de Vis, onderzoeker van Imares. Hij was een van de auteurs van genoemd Brits/Nederlandse onderzoek. „Je kunt onderkoelen van vis vergelijken met onderkoelen van de mens. Als die onderkoeld raakt, kan dat, anders dan vaak wordt gedacht, ook tot stress en angst leiden.”
Van de Vis was de laatste jaren ook als deskundige nauw betrokken bij de ontwikkeling van een elektrisch verdovingsapparaat voor de Nederlandse kweeksector. Daarbij stond een apparaat uit de Noorse zalmindustrie model. „Maar het is tijdrovend gebleken om dat geschikt te maken voor andere vissoorten als paling of meerval. Je moet bijvoorbeeld de elektroden op de juiste positie bij de vis kunnen aanbrengen, anders werkt de verdoving niet goed. En je moet meerdere vissen per keer kunnen verdoven.” Daarnaast moet de hoeveelheid spanning, stroom en de golfvorm van de stroom nauwkeurig worden bepaald. Onjuist stroomgebruik kan immers leiden tot bloeding in de spieren en dus de vleeskwaliteit schaden. Inmiddels is het Noorse bedrijf Seaside gevraagd het apparaat verder te ontwikkelen.
Wanneer diervriendelijk doden van kweekvis in Nederland praktijk is, is al met al niet aan te geven. Al kondigde de Nevevi in 2005 aan dat de kwekers binnen een jaar een diervriendelijke dodingstechniek zouden gaan toepassen. „Maar de sector is zich van de noodzaak daartoe terdege bewust. Zij werkt er ook hard aan”, onderstreept Van de Vis.
Maar een apparaat gaat minstens 60.000 euro kosten, verwacht de Nevevi. En dat zullen de kwekers toch vooral zelf moeten ophoesten. Daar zit dan ook een deel van het probleem. Een paar jaar geleden telde de sector twee keer zoveel bedrijven als de huidige zestig. Bedrijven legden het loodje door tegenvallende kweekresultaten maar ook door de economische crisis die de export deed instorten. En vooral, benadrukt Nevevi-secretaris Van Eijk, door de import van spotgoedkope kweekvis uit Azië, zoals de pangasius of tilapia. „Dat zijn vissoorten die hier diepgevroren binnenkomen en vaak als vers worden verkocht”, zegt hij. Hoe het bij deze vis is gesteld met kweekomstandigheden of dierenwelzijn, daar maakt Van Eijk zich weinig illusies over.
Want de Aziatische viskwekerijen – goed voor ruim tachtig procent van alle viskweek wereldwijd – hebben een slechte reputatie door overmatig medicijngebruik en milieuverwoesting. De Nederlandse kwekerijen scoren op deze punten juist heel goed. Afvalstromen worden hier bijvoorbeeld standaard verwerkt en de kwekerijen hanteren een protocol voor medicijnen. Dat laatste werkt in de praktijk ook goed, blijkt uit de vismonsters die de Voedsel- en Warenautoriteit vorig jaar nam in alle kwekerijen van ons land. Medicijnen worden volgens de VWA nauwelijks gebruikt.
Van Eijk: „En daarnaast willen we ook nog eens investeren in dodingstechnieken. Dat heb ik uit Azië nog niet gehoord.”Â
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.