Een bestuurder, volksvertegenwoordiger of ambtenaar die bij de aanvaarding van zijn taak de eed aflegt, doet daarmee geen geloofsbelijdenis, maar roept degene die hem het meest heilig is aan om zijn verklaring kracht bij te zetten. PvdA-leider Bos illustreerde die publieke functie van de eed door als ongelovige bij zijn installatie als Kamerlid na enige twijfel toch voor de eed te kiezen. Van sommige dingen kom je nooit los, schreef hij in 2006 in zijn boek ’Dit land kan zoveel beter’, verwijzend naar zijn hervormde opvoeding.
Des te opmerkelijker is het dat een meerderheid van de Tweede Kamer zich achter een motie van CDA, ChristenUnie en SGP heeft geschaard om voor ambtsdragers nog slechts de sinds 1911 gangbare eed (’Zo waarlijk helpe mij God Almachtig’) toe te staan naast de belofte (’Dat beloof en verklaar ik’). De laatste jaren kwam het steeds vaker voor dat islamitische ambtenaren de eed op Allah aflegden, maar als het kabinet zou besluiten de motie uit te voeren, kan dat niet meer. De vraag is of het kabinet daar wijs aan doet.
De motie wekt de indruk de betekenis van de eed te verengen tot een geloofsuiting. De indieners zeggen dat het hun intentie is een eind te maken aan de wildgroei van formuleringen. Dat argument is sterk overdreven en gezien de publieke betekenis van de eed mag het ook niet uitmaken of iemand God, Allah of Brahma aanroept. De essentie is dat een ambtsdrager zijn integriteit of trouw aan de grondwet bekrachtigt.
Het ligt dus voor de hand de keuze vrij te laten. Volgens de eerste indienster, het CDA-Kamerlid De Pater, gaat het in de eed niet om de God van het christendom, maar om de erkenning van het bestaan van een god, hoe die ook genoemd wordt. Als dat de kern van de zaak is, hoeft het spiegelbeeldig ook geen bezwaar te zijn dat een moslim Allah aanroept. Is dat wel een bezwaar, dan is de indruk dat de indieners andere motieven hebben bijna onvermijdelijk.
De SGP was over haar motief onverbloemd: zij is tegen ’multiculturalisering’ van de eed en vindt het geen probleem dat de overheid het christendom bevoordeelt, de scheiding tussen kerk en staat ten spijt.
Tegen deze achtergrond doet het kabinet er verstandig aan de motie naast zich neer te leggen. Uitvoering druist tegen de Grondwet in en doet geen recht aan de religieuze pluriformiteit van de Nederlandse samenleving.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.