Sinds ’La Pianiste’ is iedere nieuwe film van de Oostenrijkse regisseur Michael Haneke de film die je gezien moet hebben, maar sinds zijn ’Funny Games’ weet je dat iedere nieuwe Haneke meestal ook een vorm van zelfkwelling is. De Oostenrijker wijst ons op onze verantwoordelijkheid en doet dat weinig zachtzinnig. Al geeft hij aan zijn latere films meer lepeltjes suiker mee, je blijft op je hoede.
Toch word je in de eerste beelden van ’Das weisse Band’, Haneke’s eerste Gouden Palm-winnaar, even op het verkeerde been gezet. We dalen af naar 1913, plaats van handeling: een protestantse gemeenschap in Noord-Duitsland waar de baron en de dominee het voor het zeggen hebben. Het verhaal wordt buiten beeld verteld door de nu gepensioneerde schoolmeester die in zijn herinneringen graaft. Zijn ernstige stem (van de Duitse acteur Ernst Jacobi) rept over ’raadselachtige gebeurtenissen in het dorp die misschien een licht werpen op wat zich later in ons land heeft afgespeeld’. Deze impliciete verwijzing naar het nazisme werpt een schaduw vooruit, maar de stem en de heldere zwart-witbeelden van het Noord-Duitse platteland hebben ook iets behaaglijks archaïsch: dit is een verhaal uit de tijd van ’edelman, bedelman, dokter, pastoor’, lang geleden, ver voor de oorlog.
Die Heimat-nostalgie geeft Haneke echter geen kans verder. Beheerst bouwt hij de beklemming op. Er gebeuren vreemde dingen in het dorp. De dokter struikelt met zijn paard over een over de weg gespannen draad, het zoontje van de baron wordt mishandeld, een plattelandsarbeidster komt om het leven bij een ongeluk. Dat zijn de bijzonderheden waar de mensen over praten. Beklemmender nog is het stilzwijgende, alledaagse geweld, door ’kerk’ en ’staat’ toegestaan, verordonneerd zelfs. De domineeskinderen krijgen na een ongehoorzaamheid stokslagen en een wit lint om de mouw als teken van hun schande. De zoon wordt met de armen in bed vastgebonden om zijn zondige gedachten uit te bannen. De dokter vernedert zijn huishoudster. Dit is het patriarchaat in vol ornaat; een streng christelijke gemeenschap gebouwd op ’kwaadwilligheid, afgunst, domheid, brutaliteit’ (aldus de barones), zonder zinnelijkheid of vreugde.
Een enkel moment van lichtheid schuilt in de toenadering tussen de nog jonge schoolmeester en de oppas van de kinderen van de baron. Maar ook die liefde wordt afgeknepen. Als de jonge man op een mooie dag met haar wil picknicken in het veld, vraagt het meisje hem doodsbenauwd om daarvan af te zien.
Haneke suggereert dat onderdrukking werkt als een boemerang. De macht zoekt naar de schuldigen, maar kijkt niet naar zichzelf. De vraag is wel waarom hij dit verhaal nu vertelt. De les herinnert aan ’Caché’ en ’Code Inconnue’, films die ook – maar met meer urgentie – op blindheid, verdringing en ontkenning wezen. Maar de kracht van ’Das weisse Band’ schuilt niet in die boodschap die hier ook op afstand, in een literair verleden blijft. De schoonheid schuilt deze keer in de superieure vorm, in de beelden zelf, van de schokkende plotselinge val van het paard in de openingsscène tot aan de wuivende grashalmen in een van de laatste. Ieder beeld, scène, gezicht, gebaar of zin voegt iets toe aan het geheel, maar ieder beeld houdt ook iets verborgen. De vorm spiegelt de inhoud.
Zevenduizend kinderen zag de regisseur tot hij de juiste ’antieke’ gezichten had gevonden. Hij sleutelde eindeloos aan het licht dat ook ’s nachts niet theatraal mocht zijn. ’Das weisse Band’ schijnt in stijl en in soberheid en precisie ook een eerbetoon aan Haneke’s voorgangers, aan Robert Bresson met name. Deze keer maakte de Oostenrijker niet alleen een interessante, maar ook een bijzonder heldere, mooie film. In ingehouden woede mag hij weer dezelfde film hebben gemaakt, in de visuele beheersing van die woede heeft hij met ’Das weisse Band’ zichzelf overtroffen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.