*

 

Criticus stelt juiste vragen over ontwikkelingshulp

Paul Hoebink − 08/12/09, 00:00

Hulpafhankelijkheid Afrikaanse landen moet grondig onderzocht worden.

Ook deze week was het weer raak. Een luidruchtige promovendus van de Universiteit Twente, Wiet Janssen, stelt dat 80 procent van de Nederlandse ontwikkelingshulp geen effect heeft.

Bijna als vanzelfsprekend slurpen de Nederlandse media dit met graagte op, veelal zonder kritische vragen te stellen. Voorstanders van de ontwikkelingssamenwerking zwijgen of komen maar magertjes aan het woord. Ontwikkelingssamenwerking heeft, net als een aantal andere beleidsterreinen, het klimaat tegen.

Toch is er wel degelijk een antwoord mogelijk op de, wel degelijk relevante, punten die de critici naar voren brengen. Janssen zit nog in de ’oude’ kritiek: toon maar eens aan dat het resultaat oplevert. Dat is een terechte vraag. In mei nog bracht het ministerie van buitenlandse zaken een fraai ogende Resultatenrapportage uit (die overigens over het hoofd gezien is door Janssen). Wie wat te weten wil komen over inzet en resultaten van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking heeft daar een eerste stevig houvast. Waar het antwoord ontbreekt, dat moet de sector zich aantrekken: er wordt nog steeds te weinig of te slecht geëvalueerd, en te weinig gecommuniceerd over de evaluaties. De rapporten zouden bijvoorbeeld allemaal openbaar moeten zijn en in hun geheel én in samenvatting terug te vinden moeten zijn op de websites van de verschillende ontwikkelingsorganisaties.

Wiet Janssen stelt ook terecht de vraag: wordt de sector ontwikkelingssamenwerking goed gemanaged? Hijzelf geeft het antwoord helaas niet. Mijn antwoord zou zijn dat de nadruk de laatste jaren vaak veel te veel op managen heeft gelegen, vooral op het financieel managen. Er is een woud aan regels ontstaan die tot grote stapels papieren verantwoording heeft geleid, die het moeilijk maken het bos te zien. Een goede evaluatie van het managementsysteem, de uitbreiding van organisaties en de effecten daarvan op ontwikkelingslanden is hard nodig.

De Afrikaanse econome Dambisa Moyo en een enkele Afrikaanse journalist komen met een nieuwere en verder strekkende kritiek: ontwikkelingshulp aan Afrika heeft sowieso niet gewerkt, zij heeft ook het eigen initiatief gedood, landen hulpafhankelijk gemaakt, gezorgd voor corruptie en burgeroorlogen. Bij Moyo is er een enorme portie overdrijving bij, maar toch is het belangrijk daar verder naar te kijken. Er is geen serieus onderzoek gedaan naar de relatie tussen hulp en corruptie, tussen hulpafhankelijkheid en slecht bestuur in sub-Sahara Afrika.

Veel mensen kennen echter het verschijnsel van hand ophouden. Kort geleden bezocht ik Mali. De regering daar wil een nieuw programma starten in 166 van de armste gemeentes. Eerste reflex van de Malinese regering: wij vragen 155 miljoen dollar jaarlijks gedurende vijf jaar aan de donoren (en stoppen er zelf 98 miljoen dollar in die we elders al van de donoren krijgen). Het maatschappelijk en politiek effect van die hulpafhankelijkheid dat daaruit blijkt, is het onderzoeken waard. Heeft het echt zulke corrumperende effecten? Beweringen zijn er genoeg, bewijzen veel te weinig.

Afrikaanse (oud-)presidenten als Kagame en Mkapa ventileren wat iedereen wenst: dat er een einde komt aan de ontwikkelingshulp en aan het hand ophouden. Ze zeggen wijselijk niet dat ze dat morgen al willen. Wanneer wel hangt immers af van het behalen van resultaten maar ook van het voorkomen van mogelijke negatieve neveneffecten.

mailIcon print |