„Ik weet niet of het kwam omdat ze niets anders kon, maar in mijn herinnering aten wij altijd hetzelfde bij mijn oma: takkenbossenvlees met slabonen en buttertje. Elke zondag weer.
De term ’takkenbossenvlees’ komt van mijn broer, die noemde het zo omdat het suddervlees eruit zag als donkerbruine takjes. Eigenlijk was het nogal droog, we moesten er flink op kauwen. Maar het was wel heel erg lekker! Vooral in combinatie met die slabonen. Volgens mij is dat de West-Friese term voor gewone sperziebonen, uiteraard met een snufje nootmuskaat. En niet te vergeten gekookte aardappelen met ’buttertje’. Ook weer zo’n term: die stond voor gesmolten roomboter. Echt zondags eten, en ook nog eens overgaar. De enige variatie die me bijstaat, is dat de slabonen soms vervangen werden door tot snot gekookte bloemkool, met zo’n wit sausje erbij.
Toe was er altijd vla met yoghurt en heerlijk mierzoete ranja. Een soort vlaflip, ware het niet dat we het gewoon aten vanaf hetzelfde bord. Kennelijk heeft er toch ergens een vernieuwingsslag plaatsgevonden, want later kregen we glazen vierkante bakjes om het in te doen. De yoghurt en vla zaten toen nog in flessen en de restjes diende je eruit te peuteren met een flessenlikker, zo’n wit half rondje aan een rode steel. Die kant-en-klare vanilleyoghurt waar de supermarkt op zeker moment mee kwam, haalt het toch niet bij zelf mengen.
Nadat mijn oma was overleden, gingen we ’s zondags eten bij mijn tante, die ook in Benningbroek woonde. Zij had geheel eigen klassiekers: kalfssoep uit een pakje en friet uit de oven. Dat was toen helemaal hip, 1-2-3 friet van McCain. Maar uiteraard wel weer altijd met slabonen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.