Via Advent, T.S. Eliot en drie dolende zielen uit een dertig jaar oude Russische film belandt Willem Jan Otten in zijn maandelijkse essay voor Letter & Geest bij het Amsterdamse vervoerbedrijf. „Intussen rijdt er op Kerstavond een tramconducteur door Amsterdam met op zijn borst, hangend aan geen ketting, een volmaakt onzichtbaar kruis.”
Het is morgen de vierde zondag van de Advent, wat Komst betekent. Dit jaar is het lang Advent, omdat Kerstmis op een vrijdag valt.
Na Kerst vergt het Kerkelijk Jaar van de godsdienstijveraar dat hij doet alsof hij op zoek gaat naar de stal. Epifanie (Driekoningenavond) is een feest van inleving: we worden geacht ons te verplaatsen in drie koningen die na een moeilijke tocht de pasgeboren Jezus aanschouwen.
Er is van die tocht een indrukwekkend gedicht gemaakt door T.S. Eliot, ’The Journey of the Magi’, de ’Reis van de drie koningen’, zoals het in de vertaling van Martinus Nijhoff heet.
Het is een lang, bar en vooral winters gedicht. De tocht is vol ontberingen, leidt door een bijna filmische, Russische koude, ’onze kampvuren wilden niet branden’, en voert weg van het hedonistisch welbehagen waarin de drie wereldse heersers baden. Als ze eindelijk arriveren op de beloofde plaats is het volstrekt duidelijk dat wat ze te zien krijgen zeldzaam gewoon is. Futiel. En vooral: dat het zal lijden.
Welbeschouwd maakt T.S.Eliot geen woord vuil aan wie de Wijzen zien. Het enige wat er van gezegd wordt is dat de aanblik satisfactory is.
’De moeite waard’, vertaalt Nijhoff, de woorden iets minder karig kiezend. Bert Voeten vertaalt: ’Het gaf voldoening’.
Dit is het eerste grote gedicht dat T.S. Eliot na zijn bekering en doop in de anglicaanse kerk (1926) geschreven heeft.
Het is uiterst onbevredigend. En dat maakt het waarheidsgetrouw, want je begint al lezend te begrijpen dat wat de koningen zochten nooit iets anders kan zijn dan het volkomen tegendeel van wat zij zelf zijn. De reis is pas de moeite waard als zij ervan leren afzien om te geloven dat alleen macht, rijkdom en faam hun bestaan rechtvaardigen. Hen gewordt iets machteloos’, onaanzienlijks, gerings, sterfelijks en in zekere zin wanhopig stemmends. De drie Wijzen zien in de bron van hun nieuwe geloof – de Menswording – niets triomfantelijks. ’Was het doel dat ons dreef/ geboorte of dood?’ Ze hebben hun wereld op zijn kop gezet. De macht die zij zochten schuilt in zwakheid.
In alle culturen en tijden zijn er sprookjes, mythen, verhalen gebaseerd op een tocht naar een onbekend gebied, een soort tweede werkelijkheid, waar de hoofdpersoon een beproeving wacht. Orpheus die afdaalt in de Hades, Theseus die aan de draad van Ariadne het labyrint betreedt, Mozes, Elia en Jezus die de woestijn in trekken, Dante die met Vergilius de poort naar de Hel doorgaat, Don Quichote die Spanje binnenrijdt maar al hallucinerend van Spanje nóg een Spanje maakt, Shakespeares Rosalind die in het Ardennerwoud haar geliefde test, Mozart die zijn Zauberflöte-personages een doolhofachtige tempel door stuurt.
Het zijn, om zo te zeggen, ’natuurlijke’, vanzelfsprekende ficties, niet wonderlijker dan wat ieder mens iedere dag beleeft: in slaap vallen en ’elders’ dát meemaken wat wij de droom noemen, en dan de sensatie hebben dat er iets van je ’gevraagd wordt’. Niets gewoner dan in slaap vallen, en toch vraag je je af of er iets miraculeuzer is dan ons vermogen om doezelend of dromend door ons zelf te reizen. Of dan, bij klaarlichte dag, door een hersenspinsel in beslag genomen te worden, en ’te vergeten waar je bent’.
Die Tweede Werkelijkheid, of dat droomgebied, is er in principe altijd, zij is draagbaar, ieder van ons kan, zoals het soms heet, ’afdalen in zich zelf’. Waar ben ik als ik denk, vroeg Hannah Arendt in haar machtig mooie boek ’Denken’. Het heeft geen zin om ’nergens’ te zeggen, of ’hier’. Maar weten waar je dan wél bent is er al evenmin bij. Er is onmiskenbaar sprake van een ’innerlijk landschap’, het is niet vreemd om te spreken van een ’geestesoog’ dat dit innerlijk gebied aftast, maar je ontkomt ook niet aan de zekerheid dat wat je ’ziet’ als het ware gecreëerd wordt door datgene waarmee je kijkt.
Er bestaat een film die dit zelfscheppende ’ergens’ probeert te verbeelden. Hij is van Andrej Tarkovski (1932-1987) en heet ’Stalker’. Hij is precies dertig jaar geleden gemaakt, en nog altijd een mysterieus unicum in de filmgeschiedenis. Ongelukkige titel, inmiddels, die een ergerniswekkende, liefdesrancuneuze hoofdpersoon in het vooruitzicht stelt. Maar de hoofdpersoon van deze film is een soort gids, iemand juist die mensen wil helpen. Tarkovski hield zich aan de oorspronkelijke betekenis van ’stalker’: een verkenner, een eenzame jager die wild besluipt. Stalker loodst mensen door een woest en vooral: onveilig gebied naar een huis. In dat huis, zo gaat het verhaal, is een kamer. Wie die kamer betreedt zal „krijgen wat hij het diepst verlangt”.
Het gebied heet in de film de Zone. Of er een meteoriet is ingeslagen, of aliens zijn geland en weer verdwenen, of een nucleaire bom ontploft, of een kolossale milieuramp heeft plaatsgegrepen, wordt niet opgehelderd. Wat Tarkovski met zijn Zone bedoelde wordt zorgvuldig in het midden gelaten. Voor de Sovjetrussen die in 1979 de film te zien kregen kon zij symbool staan voor de Goelag Archipel, maar ook voor het Westen, waar ze soms heen konden, maar zelden uit terugkeerden.
Tarkovski heeft zelf nooit iets anders gemompeld dan dat de Zone ’het leven’ was.
Hem fascineerde het idee dat er ergens aan het eind van de levenstocht (die hij, meer dan welke naoorlogse kunstenaar dan ook, als een pelgrimage heeft opgevat) een ruimte, een kamer zou kunnen zijn waar mensen, als ze haar betraden, kregen wat zij het diepst verlangden.
Of het wel verstandig is om zoiets te geloven? Tarkovski laat zijn personages zich dat terdege afvragen. Na een tocht vol beproevingen bereiken de drie reizigers met de allegorische namen Stalker, Schrijver en Professor het beloofde huis, en staan ze voor de drempel van de kamer.
Die krijgen we gedurende de scena madre, het gesprek voorafgaande aan het binnentreden, niet te zien. De mannen kijken elk op hun beurt gefascineerd naar binnen. Op een of andere manier krijg je de indruk dat er niets te zien valt, niets anders dan wat je al ziet.
Tarkovski is een meester in het filmen van fascinatie, awe, van vrees en beven. Hij doet dat steevast zónder het begoochelende voorwerp te tonen, net als T.S. Eliot in zijn gedicht. Misschien is dit ook het Grieks-orthodoxe aan Tarkovski’s wijze van kijken – hij blijft om zo te zeggen aan deze zijde van de iconostase, de voorhang waarachter in de oosters-orthodoxe dienst het heiligste zich afspeelt.
Vorige week heb ik, als sluitstuk van een Tarkovski-retrospectief in het Filmhuis Bussum, voor het eerst sinds twaalf jaar ’Stalker’ op een groot scherm gezien. De film is een en al landschap, het was heerlijk er je hele blik mee te vullen. Ook als we in de film binnen zijn, in het laatste huis, bevinden we ons buiten – zoals dat alleen in een droom kan, of in een kathedraal. En zelfs als we in close-up naar de gezichten van de drie tochtgenoten kijken is het alsof we landschappen zien.
Dit landschap is de eigenlijke hoofdpersoon, méér dan de drie tegenspartelende, vaak ruziënde, en niet zelden agressieve tochtgenoten. Al vroeg in de film wordt gezegd dat de Zone kan denken. Dat hij zich aanpast aan degene die er doorheen reist. Dat hij, zo nodig, ombrengt wie zich, op zijn beurt, niet aanpast. De afstand die hemelsbreed afgelegd moet worden naar het Huis is, zo blijkt uit een vroeg shot, nog geen halve kilometer. Maar zoiets als ’recht op je doel afgaan’ bestaat in de Tweede Werkelijkheid niet.
Wat is de logica van dit denkende landschap dat zich overduidelijk als een persoon gedraagt?
Op het eerste gezicht lijkt het een soort christelijke parabel, een neefje van Bunyans Pilgrim’s Progress, waarin de reiziger, die naar de hemel wil, langs een aantal scènes met gepersonifieerde deugden en ondeugden wordt geleid.
Maar in ’Stalker’ gaat het, zo blijkt, niet zozeer om goedheid, zondebesef, deugdzaamheid, als wel om vertwijfeling. Het is, zegt Stalker op gegeven moment, alsof de Zone alleen hén, die ongelukkig zijn, doorlaat en bij de Kamer laat komen. Alsof het criterium wanhoop is. Of althans: het verliezen van alle hoop op een oplossing van de problemen in termen van rijkdom, macht en faam. Het verteerd worden door schuldgevoel, zonder nog te weten hoe die menselijkerwijs kan worden gedelgd. Of nog duisterder: alsof je diepste wens je grootste vijand is. Alsof je eigenlijke, zeg maar natuurlijke, ’biologische’ verlangen de verlossing het meest in de weg zit. Het verlangen naar een vrijwaring van alle zorgen, bijvoorbeeld.
Over zo’n leven zonder zorgen zegt Stalkers vrouw op het eind van de film iets roerends: „Zonder zorgen zou het leven niet beter zijn. Het zou slechter zijn. We zouden niet weten wat geluk is.”
In de film wordt het verhaal verteld van de gids Everzwijn, de leermeester van Stalker. Onderweg naar de kamer had die zijn eigen broer erin geluisd: toen er geloot moest worden wie het eerst een levensgevaarlijke passage door zou steken had hij twee even lange strootjes gemaakt. De broer trok dus de langste, en kwam tijdens de doorsteek om. Everzwijn bereikte – volmaakt vertwijfeld – de kamer die hij betrad met, zo meende hij, maar één wens, een smeekbede welbeschouwd: ’Mijn broer terug’.
Eenmaal weergekeerd uit de Zone ontdekt hij dat daar niet zijn broer was, maar geld. Zijn huis bulkte van het geld – zoveel, dat hij nooit meer zorgen zou hoeven hebben.
Het is een grimmig, desolaat sprookje, dat niet erg goed bij Kerstmis lijkt te passen. Stalker, Schrijver en Professor kennen het, en weten dat Everzwijn een week na de ontdekking van het geld zelfmoord heeft gepleegd.
Daar gaat het gesprek voor de drempel over. En de vraag is allang niet meer: bestaat er echt wel zoiets als een kamer waar je diepste wens ingewilligd wordt? En zelfs niet: is het wel verstandig om in zoiets te geloven?
Op een of andere manier doet het er helemaal niet meer toe of dit ’kan’ of niet, en of het wel juist is om erin te geloven of niet. Tarkovski heeft met zijn film een gedachte in de wereld gezet die zich niet meer ongedaan laat denken. Wat als het kon, deze Alles Inwilligende Kamer betreden – wat dan?
Tijdens de (schitterend geschreven) woordenstrijd tussen de mannen dreigt de wetenschapper een bom de kamer in te gooien. Zijn argumenten zijn steekhoudend en actueel: de mensen zijn niet te vertrouwen, hun diepste verlangens zijn boos en destructief, ze zullen de kamer alleen maar betreden om hun macht over elkaar te vergroten, oneindig bloedvergieten zal er het gevolg van zijn.
En de schrijver valt Stalker aan, die de kamer nooit heeft betreden en eigenlijk niet goed kan uitleggen waarom niet. Woedend vraagt hij of de kamer voor Stalker niet een manier is om greep te hebben op de mensen die hij leidt, is hij niet een soort valse priester, een manipulator met valse hoop? En dan, zegt hij honend, waarom is Everzwijn niet opnieuw naar de kamer gegaan, had zijn berouw hem niet kunnen redden? Bewijst dat niet dat de kamer een verschrikking is, een demiurg, een gruwelgod – omdat de mens die hem betreedt, dat nu eenmaal allemaal ook is?
Woeste vragen, hevige, dostojevskiaanse dialogen, die eerder eindigen in een uitputting dan in een oplossing – drie mannen vertwijfeld zittend op de drempel van de kamer. Ze kunnen niet geloven, maar ze kunnen al evenmin het verlangen doden naar het geloof dat hen naar de kamer heeft gebracht.
Inmiddels kijken wij vanuit het point of view van de kamer naar het drietal. Zwijgend. Het is uitermate vreemd en verontrustend om aldus te denken: ik ben nu de kamer, en zelfs: ik kijk nu met God mee. Want je bent exact zo machteloos als de camera zelf, welbeschouwd ben je een waarnemend niets. Als die drie daar op de drempel zijn zoals ze zijn, zo verlamd van niet kunnen en wie weet toch willen, zo zonder vertrouwen en toch vol verlangen – wordt er dan van Mij nu echt helemaal niets gevraagd? Wat moet Ik nog hier met Mijn blik?
Deze alziende machteloosheid, die ons dankzij de film ten deel valt – ik kan er niet over uit. Dit is volgens mij de geheimzinnigste blik die een filmer mij ooit heeft laten werpen.
Ik had de film zoals gezegd lang niet groot in een zaal gezien – en legde dan ook nu pas voor het eerst de verbinding met het gedicht van T.S. Eliot. Met de blik van de drie wijzen, de drie machtigen der aarde, die zo’n lange tocht over hebben voor iets wat om te beginnen hulpeloos zwijgt.
Wat een vreemd geloof is de christelijke religie toch, dat zij in de twintigste eeuw twee zulke meesterlijke kunstenaars als Eliot en Tarkovski hun God zo erbarmelijk afhankelijk laat zijn van de mensen.
Inmiddels weten we dat in Amsterdam een tramconducteur deze zelfde mensgeworden God niet aan een ketting om zijn hals mag laten bungelen. Althans niet zichtbaar. Het gaat om een vergulde schaalmodeluitvoering van de Gekruisigde op het moment dat hij aan den lijve ondervond wat het in de praktijk betekent om aan de mensen overgeleverd te zijn. Volgens mijn schatting is het ding vier centimeter breed en tegen de zeven hoog.
Een samenleving is, dunkt me, verregaand in vertwijfeling als mensen verboden wordt om, waar dan ook, dit teken van verbondenheid met hun verlosser te dragen. Kennelijk begrijpt nu ook de rechterlijke macht niet meer wie de tramconducteur, de Kopt Mickel Aziz, om zijn hals heeft hangen. Zij weet, net als het overgrote deel van de intelligentsia, klaarblijkelijk niet meer hoe zij moet kijken naar de werkelijkheid die een crucifix belichaamt.
De blik uit de Kamer in de Zone op de vertwijfelde zoekers, of van de Drie Wijzen op het kind dat zich eens zal uitleveren – het zijn allebei manieren om het lijden te aanschouwen.
Iemand verbieden om het symbool van deze aanschouwing te dragen is onbegrijpelijk, en achterlijk. Het is alsof de staat iemand dwingt om publiekelijk zijn god te verloochenen. En dat niet eens om inquisitoriale redenen – omdat hij oprecht gelooft dat Aziz een ketter is, of misleid door de duivel of iets dergelijks. Maar omdat hij totaal niet meer weet wat het kruis betekent. De staat heeft, zoals Stalker het ergens in wanhoop zegt, zijn ’zintuig voor het religieuze laten afsterven’. En verbiedt nu wat hij niet meer kent. Systematisch lijkt de samenleving zich los te snijden van de religieuze sensibiliteit die twintig eeuwen lang haar identiteit bepaalde. Er wordt een hevig vacuüm getrokken – dat gevuld wordt met een steeds redelozer angst voor het religieuze tout court.
Intussen rijdt er, zo hij toch nog is ingeroosterd, op Kerstavond een tramconducteur door Amsterdam met op zijn borst, hangend aan geen ketting, een volmaakt onzichtbaar kruis. Ook als hij Mickel Aziz niet is, is hij Mickel Aziz.
Hij is van mijn leeftijd maar draagt een mediterrane snor. Hij neuriet op zijn Koptisch Nu sijt wellekome. Hij komt uit Egypte en vraagt zich thans af wat vernederender is: vervolging door islamisten, of gedwongen symboolloochening in het Vrije Westen door kinderen van de Verlichting.
Weet dat hij gebeten is door het christendom, en wens hem, als u uw speciale Kerstrit maakt, toe wat Eliots Wijzen gewerd. Het is de moeite waard. Het geeft wat hij hoopt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.