*

 

Wie is er bang voor het volk?

Sylvain Ephimenco − 12/12/09, 00:00

Veel meer dan in Nederland rust er in Frankrijk een groot taboe op kwesties rond identiteit en integratie, schrijft Sylvain Ephimenco. Pas met het openstellen, begin november, van een nationale debatsite lijkt hierin verandering te komen. Maar wat als deze vloed aan frustraties en onbehagen blijft stromen?

  • Rellen in Roubaix na de voetbalwedstrijd Algerije-Egypte, 18 november 2009. ( FOTO REUTERS)
    Rellen in Roubaix na de voetbalwedstrijd Algerije-Egypte, 18 november 2009. ( FOTO REUTERS)

Als er één land in Europa is dat geen enkele behoefte had aan diepgaande debatten over de nationale identiteit, dan was het Frankrijk wel. De Franse eigenheid was even vanzelfsprekend als de alpinopet, het stokbrood en het glas wijn. In een minder anekdotisch register bood de cultus van de Republiek – waarop de moderne nationale identiteit stoelt sinds de Franse Revolutie – voldoende rituelen om het volk van die vanzelfsprekendheid te overtuigen: van de militaire defilés op Quatorze Juillet tot de ceremoniële handelingen die onder een wapperende tricolore plaatsvonden, met de Marseillaise als muzikale illustratie.

Nu is het niet zo erg dat er anno 2009 bijna geen (jonge) Fransman meer bestaat die een alpino wil dragen en dat de baguette- en wijnconsumptie spectaculair is ingestort. Problematischer is het als die andere symbolen door de gehaktmolen worden gehaald. Als de heilige Marseillaise in eigen Franse stadions onder fluitconcerten en symfonieën van gescheld wordt bedolven. Als op 14 juli niet alleen parades maar ook brandende auto’s te zien zijn. Of als, zoals na de laatste WK-kwalificatiewedstrijden, niet de Franse driekleur maar een zee van Algerijnse vlaggen golft over de Parijse Champs Elysées.

In dit licht zou het initiatief van Eric Besson, de Franse minister van immigratie, integratie en nationale identiteit, om een brede discussie rond de Franse eigenheid te lanceren bijna logisch kunnen klinken. Volgens de declinologen (doemdenkers die de ondergang van Frankrijk voorspellen) verkeert het land niet alleen al jaren in een economische, sociale en maatschappelijke malaise, maar gaat het ook gebukt onder een identiteitscrisis.

Niettemin werd de minister bedolven onder kritiek toen hij in oktober zijn plan openbaar maakte. De linkse oppositie zag er een staaltje machiavellisme in, bedoeld om vlak voor de regionale verkiezingen de heropleving van het Front National van Le Pen te pareren. Niet geheel ten onrechte trouwens. Heel wat kiezers die in 2007 voor presidentskandidaat Sarkozy stemden, hebben de laatste tijd het vertrouwen in hem min of meer opgezegd, zo blijkt uit opiniepeilingen. De man met de gespierde taal, die tijdens de campagne meer veiligheid beloofde, een afrekening voorstond met de geest van 1968 en een terugkeer predikte naar ’republikeinse waarden’, heeft hen als staatshoofd zichtbaar teleurgesteld. De neiging bij die spijtoptanten om zich – terug – te werpen in de armen van het Front groeit met de dag.

Maar volgens de linkse tegenstanders van Eric Besson – die zij zien als een ’verrader’ omdat hij naar het Sarkozykamp overliep – is het genereren van een nationaal debat niet alleen een strategische zet met electorale bijbedoelingen. Zij vinden zo’n discussie ook gevaarlijk voor de eenheid van de natie. Zij vrezen dat hiermee de focus te zeer wordt gericht op problemen rond immigratie, integratie en islam.

De minister antwoordde onlangs dat „ook in Duitsland, Denemarken en Nederland over identiteit wordt gediscussieerd”. Dat klopt. Alleen is de aard van dat debat, bijvoorbeeld in Nederland, wezenlijk anders dan in Frankrijk. Hier werd de discussie al sinds 11 september 2001 en de Fortuynrevolte breed gevoerd, in de media, in het parlement en daarbuiten. In Frankrijk is deze explosieve thematiek veel meer dan elders naar de taboesfeer gedrongen.

Op het moment dat in Nederland een vrij debat woedde, probeerde Frankrijk thema’s rond immigratie, integratie en islam juist angstvallig te vermijden – met als opmerkelijke uitzondering het hoofddoekverbod op scholen. Maar dit debat werd van bovenaf, door de staat, geïnitieerd en georganiseerd. Het wetsvoorstel werd door de republikeinse traditie van strikte scheiding van kerk en staat gelegitimeerd en mocht in geen geval het specifieke kader van die laïcité overschrijden.

Twee traumatische gebeurtenissen in het afgelopen decennium maakten van een eventueel Frans debat een hachelijke onderneming. Beide werden gezien als een bedreiging voor de nationale eenheid en het multi-etnische weefsel.

Allereerst was dat de doorbraak van de extreemrechtse leider Jean-Marie Le Pen, die het in 2002 schopte tot de tweede ronde in de presidentsverkiezingen. Het was een opzienbarend succes voor het Front National dat Frankrijks imago in het buitenland een lelijke deuk bezorgde.

Ten tweede waren dat de rellen in de banlieues, in november 2005. Bijna drie weken lang balanceerde het land op de rand van een burgeroorlog. Deze ervaring resulteerde in een muur van politieke correctheid. Tal van politici en intellectuelen beschouwen deze geforceerde zwijgzaamheid als de prijs die je moet betalen om de civiele vrede te waarborgen. Wie het weleens waagt om die gewelddadige rellen uit een zuiver sociaal-economische context te halen, wie durft te wijzen op de nadelen van massa-immigratie, op culturele en religieuze verschillen of op antiblank racisme, krijgt steevast de wind van voren.

In Frankrijk zijn er genoeg non-profit organisaties en politieke krachten die iedere poging om van de correcte lijn af te wijken afstraffen met de ergste kwalificaties en historische vergelijkingen. En het is opmerkelijk hoe hoog de emoties de laatste tijd zijn opgelaaid.

Zo werd deze week, naar aanleiding van het eerste debat in de Assemblée Nationale over de identiteitskwestie, zwaar geschut in stelling gebracht. Bijvoorbeeld door de fractievoorzitter van de Parti Socialiste Jean-Marc Ayrault, die president Sarkozy hekelde als aanstichter van een in zijn ogen ontsporende discussie. „Nicolas Sarkozy heeft van dit debat een instrument van nationale verdeeldheid gemaakt. Ik verwijt hem dat hij hiermee de immigrant of de moslim aanwijst als aanstichter van de ontaarding van de Franse identiteit. Maar de nationale identiteit wordt niet van bovenaf gedecreteerd, ze bouwt zichzelf op met de tijd. Dit debat zal de tegenstellingen doen toenemen tussen degenen die van Europese komaf, en hen die van Afrikaanse afkomst zijn.”

Aanvankelijk reageerden de meeste burgers lauw op de oproep van minister Besson tot een brede maatschappelijke discussie over identiteit. Een debat georganiseerd door de staat kan in Frankrijk per definitie op argwaan of onverschilligheid rekenen. De rebelse en klagende Fransen zijn gewend om de overheid te wantrouwen; zij treden haar voornamelijk met stakingen tegemoet. Het institutionele karakter van een strak geregisseerde discussie in honderden zalen door het hele land, onder leiding van prefecten of andere bestuurders, kon hen maar matig enthousiasmeren.

De kentering kwam toen de regering op 2 november op internet de site www.debatidentitenationale.fr opende. Daar mochten discussianten onder pseudoniem hun bijdrage aan het Grand Débat sur l’identité nationale achterlaten. Geleidelijk zwollen de eerste golfjes aan tot een tsunami. Binnenkort wordt de drempel van 50.000 contributions overschreden. Het is een succes dat tegenstanders van het identiteitsdebat heeft verrast en nu verontrust. Wat als deze vloed aan frustraties en onbehagen blijft stromen?

Jarenlang maakte een zware deken van geboden en verboden elke uiting van ongenoegen onmogelijk. Veel Fransen zien nu een unieke kans om hun zorgen te spuien. Na jaren van gedwongen zwijgen werkt deze debatsite als een ventiel. Taboethema’s als immigratie, integratie en islam worden nu luid en onomwonden aangesneden.

De uitslag van het Zwitserse minarettenreferendum gaf op z’n minst een nieuwe impuls aan de stroom van bijdragen. Sarkozy greep het referendum aan om het door hem en zijn minister geïnitieerde debat van een nog sterkere legitimiteit te voorzien. In een opiniestuk onder de titel ’Respecteer hen die aankomen, respecteer hen die ontvangen’, afgelopen dinsdag in dagblad Le Monde, stelde hij dat „nationale identiteit het tegengif is tegen tribalisme en het leven in gescheiden sferen”. Hoewel hij zijn bedenkingen heeft over de vraag- en doelstelling van het minarettenreferendum, vraagt Sarkozy begrip voor de soevereiniteit van het Zwitserse volk dat zich democratisch heeft uitgesproken. Daarbij hekelt hij de ’overtrokken en karikaturale reacties’ waarop de Franse media en de politiek de Zwitsers trakteerden. „Achter deze heftige standpuntbepalingen schuilt in werkelijkheid een diepgewortelde argwaan tegen alles wat van het volk afkomstig is. Aan het volk refereren, staat voor sommigen gelijk aan populisme. Terwijl je juist voeding geeft aan het populisme door doof te blijven voor zijn hartekreten, problemen, sentimenten en aspiraties.” Zie hier de parallel die Sarkozy trekt tussen het Zwitserse referendum en het Franse identiteitsdebat: wie is er bang voor het volk?

Vanzelfsprekend kreeg de president met zijn opiniebijdrage een nieuwe lawine aan kritiek over zich heen. Maar dacht hij alleen aan minaretten toen hij schreef: „Christenen, Joden of moslims, allen dienen iedere uitdagende uiting, iedere provocatie te vermijden”?

Het toeval wil dat het land juist nu geteisterd wordt door een golf van uitheems nationalisme op eigen grond. Enkele voetbalwedstrijden zorgden de laatste maanden voor een explosie van vreugde, frustratie en agressie tegelijk.

De reeks incidenten begon op 11 oktober in Marseille. De aanleiding was de WK-kwalificatiewedstrijd tussen Algerije en Rwanda, gespeeld in en gewonnen door het Noord-Afrikaanse land. Om de overwinning te vieren, namen duizenden Algerijnse supporters bezit van het centrum en het historische hart van Marseille, de buurt van de Vieux Port.

Marseille, de tweede Franse stad, is van oudsher een toegangspoort voor immigranten. Na de Italianen en de Armeniërs begin vorige eeuw, waren het de Noord-Afrikanen die er in groten getale arriveerden. Met meer dan 100.000 zielen telt Marseille de grootste Algerijnse gemeenschap in Frankrijk (die in totaal op 4 miljoen wordt geschat).

De menigte droeg in Marseille Algerijnse vlaggen met zich mee, blokkeerde het verkeer en maakte de straten onveilig. Winkelruiten gingen aan diggelen, er werd geplunderd, en bushokjes en lantarenpalen werden vernietigd. De agressiefste supporters zochten de confrontatie met de 150 politieagenten die waren opgetrommeld.

Toen Algerije op 14 november een nieuwe kwalificatiewedstrijd moest spelen, liet de burgemeester – wijs geworden – een politiemacht van vijfhonderd man aanrukken. Algerije werd verslagen. Nu was het de teleurstelling die de Algerijnse supporters naar het centrum van Marseille dreef. Het vandalisme en de vernietigingsdrang waren die avond nog heftiger. De supporters vielen niet alleen winkels aan, maar ook een fastfoodrestaurant. Ze verbrijzelden bovendien de ruiten van de Alcazar-bibliotheek. Uiteraard gingen ook nu weer auto’s en vuilcontainers in de fik. Zelfs zes vissersbootjes gingen in de Vieux Port in vlammen op. En ook in andere steden ’vierden’ woedende Algerijnen de nederlaag; zo gingen in Grenoble zeventien auto’s in de brand.

Dit alles was maar een voorproefje van de Algerijnse geweldsexplosie die op 18 november heel Frankrijk zou teisteren, van noord tot zuid en van west tot oost. Het toeval wil dat die avond zowel het Franse als het Algerijnse nationale elftal een beslissende wedstrijd speelden; voor beide stond de definitieve kwalificatie voor het WK in Zuid-Afrika op het spel.

De Fransen, die zich kwalificeerden dankzij een handsbal van Thierry Henri, bleven door schaamte bevangen thuis. De Algerijnen daarentegen behaalden een duidelijke overwinning op Egypte, en mogen na meer dan 25 jaar weer aan een WK deelnemen.

Hun legitieme en massale vreugde veranderde razendsnel in nationalistische euforie, agressie en plunderingen. Op de Parijse Champs Elysées waar ontelbare Algerijnse vlaggen wapperden, verzamelden zich 12.000 supporters, van wie een deel de confrontatie met de politie zocht. In de Algerijnse buurt Barbès scandeerden 3000 feestvierders ’Allah akbar’; hier en daar werd demonstratief gebeden. In tal van steden – Parijs, Lyon, Marseille, Montpellier, Castres, Firminy, Tremblay, Roubaix – gingen auto’s in vlammen op, en waren er winkelplunderingen. Televisieploegen werden aangevallen, cameramannen raakten gewond (het overkwam die van BFM-TV op de Champs Elysées). En overal hoorde je de leuze waarin, ironisch genoeg, geen woord Frans meer doorklinkt: ’One, two, three, viva Algerie!’

Vermoedelijk weet u, Nederlandse lezer, hier weinig tot niets van. Dat is niet zo vreemd. Zoals gebruikelijk waren de Franse media heel spaarzaam in hun berichtgeving over de onlusten. Er mag immers geen olie op het vuur druppelen. Franse media lieten liever beelden zien van de vreugde dan van de afschrikwekkende rellen.

De volgende dag bijvoorbeeld toonde France 2, het belangrijkste journaal van de publieke omroep, vooral de blijdschap van Algerijnen die dit ’een overwinning voor alle moslims’ noemden. Er was een man te zien die voor de camera riep: „Algerije, mijn vaderland, mijn liefde tot de dood!” De berichtgeving over de landelijke rellen nam bij het journaal precies 26 seconden in beslag.

Als een van de weinige media probeerde radiostation Europe 1 de totale omvang van de geweldsuitbarsting in kaart te brengen: 330 brandende auto’s en 1.140 arrestaties op één avond.

Er was geen politicus die hierover schande sprak. Minister Eric Besson zei alleen dat hij vanuit het oogpunt van integratie al die Algerijnse vlaggen met gemengde gevoelens begroette.

Maar het mag duidelijk zijn dat deze agressieve demonstraties van Algerijnse nationalisme, midden in een nationaal debat over identiteit, voor nog meer onbehagen kan zorgen. De Fransen merken dag aan dag dat op eigen bodem een omvangrijke moslimgemeenschap verblijft die voor het merendeel niets van die nationale identiteit moet hebben.

En niet alleen sport is een uitlaatklep voor gevoelens die zich tegen de ontvangende samenleving richten. Deze week maakte een kleine groep rechtse burgemeesters zich sterk voor een nieuwe wet die ’buitenlandse vlaggen’ verbiedt tijdens huwelijksplechtigheden ten stadhuize. In hun ogen worden trouwerijen te vaak gebruikt om met Algerijnse vlaggen te zwaaien en omstanders te beschimpen.

Intussen is het smeulende vuur in de banlieues nog verre van gedoofd. Nog steeds zijn er met grote regelmaat rellen waarbij migranten politie- brandweer- of ambulancepersoneel aanvallen en auto’s in brand steken. Sinds de zomer is dit het geval geweest in Firminy (9 juli), Louviers (11 juli), Pau (8 september), Lille (26 september) en Fréjus (26 oktober).

In Parijs worden vanuit de buitenwijken raids georganiseerd bij feestelijke gelegenheden en samenkomsten waarbij veel mensen aanwezig zijn. Bendes jonge Afrikanen en Noord-Afrikanen stormen in groten getale op hun prooien af om hen te beroven hun bezittingen. Wie zich verzet wordt gemolesteerd. Ook het openbaar vervoer is niet veilig. Deze week nog zijn passagiers van de lijn RER E door een bende jongeren aangevallen en bestolen. (De politie verrichtte tien aanhoudingen, acht van de arrestanten waren minderjarigen.) Noodgedwongen mijden instanties en overheidsfunctionarissen sommige banlieues. Vorige maand zijn in het explosieve departement Seine Saint-Denis de rijexaminatoren in staking gegaan om te protesteren tegen het klimaat van terreur. (Zij worden regelmatig beschimpt en geslagen door kandidaten die zijn gezakt.)

Het mag duidelijk zijn dat Frankrijk met een omvangrijk probleem wordt geconfronteerd dat diep in de ziel van de natie snijdt. Immigratie, integratie en islam zijn de sleutelwoorden – ook al proberen de gevestigde politiek en de gevestigde media hieraan zo weinig mogelijk aandacht te geven.

Verontruste burgers vullen de ruimte die plotseling is ontstaan door de nieuwe debatsite van de overheid. Minister Besson heeft zich onlangs gedistantieerd van de racistisch getinte bijdragen die daar opduiken. Zij zijn afgevoerd. Maar ook rechts, de partij van Sarkozy, begint zich af te vragen of met het debat niet de doos van Pandora is geopend.

Na jaren van wegkijken en stilzwijgen heeft de staat een formidabel instrument in handen van de Fransen gelegd. Het is de vraag of ze het niet tegen diezelfde staat zullen gebruiken.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />