*

 

Ziekenhuis moet dader beschermen

Aart Hendriks, hoogleraar gezondheidsrecht Universiteit Leiden/LUMC − 11/12/09, 00:00

De Rotterdamse politici Van Heemst en Pastors zijn flink de weg kwijt in hun kritiek op zwijgende artsen.

Volgens een artikel in Trouw (5 december) werd het politieonderzoek naar de strandrellen in Hoek van Holland bemoeilijkt door de opstelling van artsen. Zij en andere gezondheidswerkers zouden ’weigeren de politie namen en andere gegevens te verstrekken’. Deze schijnbare obstructie wekte de furie van de leiders van de twee grootste fracties in de Rotterdamse gemeenteraad. Peter van Heemst (PvdA) en Marco Pastors (LR) pleitten eenparig voor versoepeling van het medisch beroepsgeheim. Volgens Van Heemst wordt teveel waarde toegekend aan de privacy van de patiënt; Pastors weet dat de zwijgplicht van artsen is ’doorgeschoten’.

De patiëntgegevens waarover artsen beschikken zijn van essentieel belang voor de kwaliteit en continuïteit van de zorgverlening. Daarom moeten die gegevens ook worden opgetekend in het patiëntendossier. Waarnemers en andere medebehandelaars kunnen dan op eenvoudige wijze kennis nemen van de medische voorgeschiedenis van een patiënt en de behandeling die met hem is afgesproken.

De dossiergegevens en andere kennis waarover artsen beschikken, is tevens interessant voor velen buiten de gezondheidszorg. Te denken valt aan werkgevers (’Is Piet wel echt ziek?’) en verzekeraars (’Had Marie al eerder klachten?’). Deze informatie wordt door politie en justitie gezien als een goudmijn voor het oplossen van misdrijven. Maar daarvoor zijn deze gegevens nu net niet bedoeld.

Artsen beroepen zich, zoals bekend, bij een verzoek om informatie in de regel op hun beroepsgeheim. Deze norm gaat terug op de oude Grieken. De door Hippocrates (400 jaar voor Chr.) geformuleerde zwijgplicht vormt tot op de dag van vandaag een essentiële voorwaarde voor goede beroepsuitoefening. Alleen wanneer artsen vertrouwelijk omgaan met patiënteninformatie, zullen patiënten zich vrij voelen zich tot hen te wenden. Dat geldt zeker ook voor mensen met hiv, alcoholproblemen en andere gevoelige aandoeningen. Het beroepsgeheim is daarmee een voorwaarde voor de toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Naast dit algemene belang, dient het medisch beroepsgeheim het recht op privacy van de patiënt. De informatie die hij verschaft zijn immers zijn gegevens.

Het medisch beroepsgeheim heeft stevige verankering gevonden in onze wetgeving. Het is artsen slechts toegestaan informatie te verschaffen aan anderen na toestemming van de patiënt, bij een wettelijke plicht of indien alleen op deze wijze ernstige schade kan worden voorkomen (conflict van plichten).

Er bestaat in Nederland geen plicht voor artsen tot medewerking aan politieonderzoek. Aangezien met het doorgeven van patiëntgegevens vrijwel nooit misdrijven kunnen worden voorkomen, zal een beroep op het conflict van plichten niet snel slagen. Artsen die hun zwijgplicht schenden, kunnen dan ook schadeclaims en vervolging tegemoetzien.

Nederland staat in deze benaderingswijze niet alleen. Het medisch beroepsgeheim is een internationaal erkende juridische norm, mede bedoeld om weerstand te bieden tegen de druk van politie en justitie om informatie te verschaffen. Of, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens pleegt te overwegen: ’Het respecteren van de vertrouwelijkheid van gezondheidsgegevens is niet alleen cruciaal voor het genot van privacy van de patiënt maar ook voor het in stand houden van zijn of haar vertrouwen in het medisch beroep en het gezondheidszorgsysteem in het algemeen’. Uit deze standaardoverweging spreekt ook de tweeledige doelstelling van het beroepsgeheim.

Uit het bovenstaande volgt dat de gezondheidszorg andere normen kent dan politie en justitie. Daar waar deze domeinen aan elkaar raken, doen zich soms grensconflicten voor.

De afgelopen jaren hebben politie en justitie op diverse – niet altijd even fraaie – wijzen geprobeerd artsen te bewegen zich ’coöperatiever’ op te stellen. Met een beroep op ’uitzonderlijke omstandigheden’, te weten de waarheidsvinding, werden artsen onder druk gezet te getuigen en werd beslag gelegd op dossiers.

De Hoge Raad heeft op 26 mei helder gemaakt dat een beroep op ’uitzonderlijke omstandigheden’ slechts in echte uitzonderingen kan slagen. In de zaak over de dood van een baby waarbij de moeder verdachte was, had het ziekenhuis eerder melding gedaan bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en hadden de ouders ingestemd met de overdracht van de dossiers aan het Openbaar Ministerie. Volgens de Hoge Raad had het ziekenhuis niet onjuist gehandeld door deze gegevens niet te verstrekken aan het OM.

Kortom, het takenpakket van artsen en gezondheidswerkers is wezenlijk anders dan dat van politie en justitie. Het medisch beroepsgeheim is mede, en om goede redenen, bedoeld als waarborg tegen de informatiebehoefte van opsporingsambtenaren. Politici die betogen dat het beroepsgeheim is doorgeschoten, geven blijk van weinig kennis van zaken en de stand van het recht. Deze doorgeschoten (verkiezings?)retoriek is politici onwaardig.

mailIcon print |