*

 

Seks, drugs, en verder niks

Rob Schouten − 26/09/09, 00:00

Een leven van seks en drugs en rock-’n-roll: menige jongen droomde ervan. Maar hoe woest het er on the road ook aan toe mag gaan, de nieuwe oogst aan rockromans eindigt vaak opvallend braaf: na een bandeloos leven komt de held alsnog tot inkeer.

  • Het lijkt wel of de muzikanten alleen maar bezig zijn met neuken, blowen, feesten. Over de muziek hoor je niks. (FOTO ESTHER HAASE, HH)

’I wanna be a rockstar’, zong de Canadese band Nickelback, en gaf daarmee uiting aan de meest universele carrièredrang van de afgelopen halve eeuw. Sex, drugs and rock-’n-roll, wat wil een mens nog meer? Popster worden, het liefst gitarist of zanger, het was de droom van jongens van mijn generatie, en van de volgende. Niet zozeer vanwege het kunstenaarschap, maar om de verhoopte emolumenten: sexappeal, een leven vol roes en ’on the road’.

In de literatuur vind je heel wat romans waarin zo’n ruig rockleven wordt bezongen, vooral in Amerika natuurlijk, bij schrijvers als Jack Kerouac, Charles Bukowski en Hunter Thompson, al zijn hun helden geen musici maar schrijvers. En dan heb je natuurlijk de biografieën van pophelden. Bij ons bracht Bart Chabot in zijn epos ’Broodje gezond’ over popicoon Herman Brood alle hoeken en gaten van een ware rock-’n-rollcarrière in beeld.

Maar hoe staat het met de rockster als romanheld? Van Herman Brusselmans verscheen al wel een roman ’Ex-drummer’, waarin hij het verschijnsel op de hem vertrouwde wijze beschreef in ’een wereld van haat, nijd, onbegrip, machtsvertoon, drank, drugs, mislukte seks en onuitroeibare domheid’. Maar een heel geschikte romanheld lijkt de hedendaagse muzikant niet, want de papieren en fictionele versie van zijn leven kan eigenlijk alleen maar afbreuk doen aan de aantrekkelijke onstuimigheid ervan.

Karakteristiek vind ik de commercial waarin een rockband een hotelkamer verbouwt, de groupies er uitschopt, maar voordat de manager verschijnt probeert om het toch nog allemaal een beetje op te ruimen. Zo ongeveer gaat het ook toe in rockromans, de schrijvers ervan beschrijven bij voorkeur, kennelijk bewust of onbewust geïnspireerd door de catharsisgedachte van de oude Grieken, een soort loutering bij hun hoofdpersonen.

Wie deze boeken naast romans over klassieke musici legt, merkt verder op dat het de schrijvers niet te doen is om de zoektocht naar het mysterie van inspiratie en creativiteit, zoals bijvoorbeeld Thomas Mann deed in ’Dokter Faustus’, of Romain Rolland in ’Jean-Christophe’ (gebaseerd op de figuur van Beethoven). Nee, rockromans gaan over het leven van de rockmuzikant, de roes, het reizen, de vrouwen. Ze beschrijven met graagte de buitenkant.

Toegegeven, Nick Hornby doet in ’Juliet, naakt’, wel een gooi naar iets diepers, door een oudere songwriter (type Neil Young) op te voeren, Tucker Crowe, die na lange tijd weer een plaat opneemt, half mislukt, en die door allerlei verwikkelingen op zijn leven moet terugkijken. Maar omdat de schrijver het perspectief vooral bij een fan van Tucker legt, hoeft hij niet te diep in de ziel van de songwriter te turen en blijft het geheim van diens muzikaliteit ons bespaard.

Overigens beantwoordt ook Tucker aan het cliché van seks, drugs en rock-’n-roll, maar de conclusie aan het slot wijst op een verlangen naar meer: „Op de een of andere manier was er niet genoeg gebeurd. In de tijdspanne van een paar dagen had hij een hartaanval gehad en al zijn kinderen en twee van zijn ex-echtgenotes gesproken, was hij naar een onbekend stadje gegaan en had daar met een onbekende vrouw geslapen, had hij enige tijd doorgebracht met een man die hem anders naar zijn werk had laten kijken, en toch had dat alles helemaal niets veranderd. Hij had niets geleerd en was er niet door gegroeid.”

Hornby is zo te zien schrijver genoeg om geen eenvoudige bekeringsgeschiedenis te componeren, maar hij kan het toch ook niet laten om de drang tot inzicht na een bandeloos, onverantwoordelijk leven in kaart te brengen.

Toby Litt gaat in ’Ik ben de drummer van de band okay’ een eind verder. Litt beoefende verscheidene romansoorten, zo schreef hij een chicklit-parodie, een thriller, een psychologische roman etcetera. Dat hij in zijn jongste roman met het verschijnsel rock-’n-rollmuziek speelt is wel duidelijk. Clap, de drummer van een gewaardeerde Canadese rockband, vertelt zijn verhaal; natuurlijk weer veel drugs en seks, en afterparties: „Ineens komt Irina binnen. Vol zelfvertrouwen duwt ze een paar slungelige, hoogjukbenige schoonheden opzij en zegt: „iek jeb drogs. Gokaïne. Jeroïne. De bjeste.” Maar zo te zien is dat ruige verhaal toch erg gauw verteld. De laatste jaren is Clap op de spirituele toer geraakt, een ander mens geworden: „Het bereiken van de middelbare leeftijd is als wakker worden, ik bedoel weer bij bewustzijn komen (...), het onvermijdelijke bewustzijn dat je het soort mens bent geworden dat je nooit hebt willen zijn.” Clap loopt zelfs tegen zijn ideale vrouw aan en eindigt gelukkig en gezapig: „En ik? Ik ben de drummer van de band okay. En dat is cool.” Helemaal serieus kan ik deze pontificale vertrutting niet nemen.

’Denvis’, de rockroman van onze eigen Leon Verdonschot, eindigt met een soortgelijke zelfbevestiging als Litts roman. Denvis, ruige rockheld uit Brabant, slingert het publiek in het gezicht „’I’m the singer!’ Dat ze dat maar weten verdomme.” Einde verhaal, een verhaal dat bijzonder hard z’n best doet zo rock-’n-rollerig mogelijk over te komen. Er wordt, ’gek als hij was op vocht dat uit vrouwen kwam’, stevig in geneukt en geblowd, de hoofdpersoon voert op het podium een soort penis-act uit. Het is onverbiddelijk een fuck-yeah-roman, maar zelfs hier klinkt bij tijd en wijle het vermoeden van iets anders door. Hoe oppervlakkig en schetsmatig ook, Verdonschot probeert het wezen van Denvis’ verslaving te beschrijven. Als de rocker van tijd tot tijd droogstaat lezen we dat hij de lol mist: „Uitgaan en toeren werd zo een opgave, een strijd die hij steeds meer ervoer als een strijd tegen zichzelf, want, zo zag hij dat: deze Spa-drinkende vegetariër met een dagpas voor de sportschool, dat was híj niet, dat was hoogstens wie hij af en toe wilde zijn.” Denvis is overigens de enige hoofdfiguur in deze romans die de loutering mist – hij is er nog te jong voor, vermoed ik. Komt nog wel.

En dan ’De dood van Bunny Munro’ door Nick Cave. Bunny Munro is geen rockster als de anderen, maar schrijver Nick Cave zelf is dat wel – voor wie de naam van de auteur even niks zegt: zanger van The Birthday Party, The Bad Seeds en Grinderman. En al heeft Cave van zijn (anti)held Bunny een handelsreiziger in parfumerie-artikelen gemaakt, hij heeft hem het leven van een popmuzikant gegeven. Ik heb geloof ik zelden zo’n erotomaan, gedrogeerd boek gelezen; Bunny, constant bedwelmd, kan alleen maar aan vrouwen denken. Als een vriendin zijn juist bevallen eega Libby komt helpen, fantaseert hij over haar „achterwerk onder het dunne floers van haar rok, aan dat verrukkelijk samentrekken van haar billen en het aanspannen van de aangerande spier”. Na de zelfmoord van Libby zit-ie direct alweer te geilen op de begrafenisgangsters – Kluun is er een beginneling bij – , zelfs het puisterige meisje bij McDonalds probeert-ie te versieren. Tegelijkertijd moet deze dwangmatige Don Juan zorgen voor zijn zoontje Bunny jr., een lief ventje, dat volledig op zijn vader vertrouwt. En, de lezer raadt het al, dit zachte element in het leven van de seksmaniak zal hem op den duur louteren.

Dat gebeurt overigens niet, zoals in de roman van Toby Litt, geleidelijk aan, maar met een donderklap, helemaal aan het eind, als Bunny een dodelijk auto-ongeluk krijgt en in zijn laatste momenten wordt verlicht met een genadig visioen waarin alles toch nog goed komt. Het is een bespottelijke en volstrekt ongerijmde deus ex machina die Cave aangrijpt om nog een mooi afscheidswoord te spreken: „’Ik vond deze wereld een lastige plek om het goede te doen,’ zegt Bunny, en hij sluit zijn ogen, ademt een laatste keer uit en verstilt.”

Je kunt van een kikker geen veren plukken en misschien moet je van rockromans geen diepzinnige bespiegelingen verwachten maar de sjablone-achtige oppervlakkigheid van deze boeken verbaasde me toch. Rockers doen waar ze zin in hebben en komen rond hun middelbare leeftijd tot een zekere inkeer. Geen woord over het geheim van hun muziek, over wat rock-’n-roll voor maatschappelijke of politieke boodschap uitdrukt, over de verandering van de vroegere morele held in het zedeloze icoon van nu. Gewoon van seks en drugs genieten en, als je dat stadium tenminste haalt, tijdig terugblikken. Dan schiepen Kerouac en Bukowski toch heel wat minder clichématige, incorrecter en boeiender helden!

mailIcon print |