Een beroemd wiskundige, G.H. Hardy, haalt een autodidact genie uit Madras naar Cambridge. Rond dat historische gegeven bouwt David Leavitt een knappe, genuanceerde roman, die je toch wat ontevreden achterlaat.
David Leavitts ambitieuze roman ’De Indische klerk’ speelt zich af aan de universiteit van Cambridge, in een broeierige sfeer van klassenprivileges en intellectuele wedijver, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Een vreemdeling betreedt deze besloten wereld: de autodidacte getaltheoreticus Srinivasa Ramanujan. Dit wiskundig genie, klein van stuk en gekleed in slecht zittende Europese kleren, werkte als ambtenaar op een koloniaal kantoor in het Indiase Madras en had in wanhoop een brief geschreven aan de Britse wiskundige G.H. Hardy. Die haalde hem over om naar Cambridge te komen, niet beseffend dat de oorlog zijn verblijf zou verlengen tot vijf jaar.
Ramanujan en Hardy hebben echt bestaan, er zijn biografieën en memoires over hen geschreven. David Leavitt zag er materiaal in voor een roman: de spanning tussen insiders en buitenstaanders, de manier waarop regels en categorieën veranderen wanneer een nieuw element de orde binnendringt. In het verhaal kan Leavitt veel van zijn thema’s kwijt: machtsverhoudingen, klassenconflict, de homocultuur van het Edwardiaanse Engeland, hoe vrienden en geliefden elkaar verraden wanneer ze niet voor hun gevoelens kunnen uitkomen.
De vorige keer dat Leavitt bestaande personen inzette voor een historische roman, raakte hij overigens in de problemen. ‘Terwijl Engeland slaapt’ (1993) moest hij herschrijven nadat de dichter Stephen Spender, die nog leefde en die model stond voor de hoofdpersoon, hem had aangeklaagd wegens plagiaat. Leavitt maakt graag gebruik van aan de werkelijkheid ontleende personages, alsof ze lege vakjes in een kruiswoordpuzzel zijn, die wachten tot hij hun privégedachten invult. Zelf zijn Hardy en Ramanujan natuurlijk ook puzzelaars, ze leven in een wereld van getallen. Hardy wordt in beslag genomen door priemgetallen. Hij wil weten of er „enige logica te ontdekken is in hun volgorde: 2, 3, 7, 11, 13, 17, 19 Die scheen er niet te zijn, maar er móést orde in zitten [] ook als die orde verborgen was, onzichtbaar.”
Priemgetallen zijn geslaagde metaforen voor de twee eenzelvige mannen, die hun onderlinge verschillen in karakter en cultuur nauwelijks weten te overbruggen. Leavitts Ramanujan is verlegen, sociaal onhandig en zoekt houvast bij zijn geloof. Als hindoe en strikte vegetariër lijdt hij onder het Engelse menu - en onder het klimaat. Hij kwijnt weg, wordt ziek en overlijdt kort na zijn terugkeer naar India, pas 32 jaar oud. Hardy is een homoseksuele hoogleraar wiens gereserveerde houding, suggereert Leavitt, evenzeer voortkomt uit het verdringen van gevoelens als uit zijn uitzonderlijke begaafdheid.
Deze Hardy gebruikt Leavitt om het homoseksuele wereldje van Cambridge en Bloomsbury binnen te treden, waar allerlei bekende figuren worstelen met hun seksualiteit, zoals de econoom John Maynard Keynes, die een betoog houdt over penislengtes terwijl de filosoof Wittgenstein in een hoek ’stuurs staat te staren’. En de schrijver D.H. Lawrence, die door Leavitt van stal wordt gehaald om tegen Hardy te klagen dat homo’s hem ’een gevoel van bederf, van rotting’ geven. De heteroseksuelen leiden trouwens evenmin een bevredigend emotioneel leven. Hardy’s collega Littlewood heeft een verhouding met een getrouwde vrouw. Alice Neville, getrouwd met een andere wiskundige, koestert een stille liefde voor de onbereikbare Ramanujan.
De complexe vriendschap die ontstaat tussen Hardy en Ramanujan beschrijft Leavitt opmerkelijk genuanceerd. Hardy, achter in de dertig, is half verliefd op zijn jonge protégé en wil hem ‘redden’. Hij is een van de weinigen die de Indiër kunnen volgen op het terrein van de zuivere wiskunde. Tegelijk verwart het hem dat Ramanujan zo afhankelijk van hem is; emotioneel verwaarloost hij hem, zijn talenten buit hij uit. Wat ook niet helpt, is dat Hardy een overtuigd atheïst is, terwijl Ramanujan verklaart dat hij zijn wiskundige inzichten ontvangt van de godin Namagiri: zij ’schrijft de getallen op zijn tong’.
Veel scènes uit het boek blijven hangen, elke ontmoeting is rijk in drama en detail, van Hardy’s erotische afspraken met een soldaat tot Alice Neville’s etentje met als pièce de résistance ‘vegetarische gans’, wat een soort gevulde pompoen blijkt te zijn. Ook intrigerend is de manier waarop Leavitt de wiskunde behandelt, een vorm van kunst, die de beoefenaar nieuwe werelden laat ontsluiten, maar hem ook afsnijdt van anderen.
Toch overtuigt de roman als geheel niet helemaal: het ontbreekt aan een bepaalde urgentie. De vriendschap tussen Hardy en Ramanujan verandert de twee mannen niet wezenlijk, zelfs niet na bijna zeshonderd pagina’s. Ook wordt Leavitts weergave van het verleden nooit echt tastbaar. Je ziet het niet voor je, je mist de kleuren, de geluiden, zelfs de geuren die in de historische romans van bijvoorbeeld Sarah Waters van de bladzijden spatten. Uiteindelijk heb ik liever een rommelig, imperfect maar vitaal boek dan deze roman, die vakkundig gemaakt is, maar wacht op de vonk die het tot leven wekt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.