Het nieuwe Museum M in Leuven staat in één klap op de kaart met een intrigerend schilder.
Vijf-en-een-halve eeuw nadat ze in Zuid-Nederlandse ateliers werden gemaakt, vermogen de Kruisafnames en Maria’s van Rogier van der Weyden ongemene emoties los te maken. Elk schilderij, vaak in de vorm van een triptiek, onthult een scala aan menselijke emoties die ondanks hun ouderdom van alle tijden zijn te zijn. Dat vonden ze ook in het Vlaamse Leuven waar een prachtig uitzicht wordt geboden op deze grondlegger van wat vaak de ’Vlaamse primitieven’ wordt genoemd. Het is de openingstentoonstelling in het geheel vernieuwde Museum Vanderkelen Mertens dat voortaan Museum M heet. Een meer dan geslaagde poging om het aloude museum dat zelf een zwakke historische collectie bezit, in één keer op de kaart te zetten.
Vlaams noch primitief waren de grondleggers van de vroegste schilderkunst in de Zuidelijke Nederlanden van de late Middeleeuwen. Ga maar na: de gebroeders Van Eyck kwamen uit het Limburgse Maaseik, Robert Campin kwam uit Valenciennes, maar vestigde zich als schilder in Doornik. Daar zou hij de leermeester van zijn stadgenoot Rogier van der Weyden worden, die op zijn beurt zijn opwachting bij het stadsbestuur van Brussel maakte. Pas de tweede generatie droeg een Vlaams stempel: Memlinc, tot grote hoogte gestegen in Brugge, ging in de leer bij Van der Weyden. Quinten Metsys werkte in Leuven, net als de Haarlemmer Dieric Bouts. Omdat het etiket ’Vlaams primitief’ op navolgende generaties sloeg, werden de grondleggers daartoe ook maar meteen gerekend.
De discussie over het ’Vlaamse’ element in het werk van Rogier van der Weyden leidt tot veel verwarring. Ook op de tentoonstelling in Leuven raken de bronnen wat de afkomst van deze schilder betreft behoorlijk ondergesneeuwd. Het is het gevolg van de keus voor een monografische presentatie van het oeuvre dat niet los kan worden gezien van de tijd waarin de schilder leefde. Je zou dus om een goed beeld van wat het begrip ’Vlaamse primitieven’ inhoudt, eerst een ander museum moeten bezoeken om een juiste indruk te krijgen. De eigen collectie van Museum M reikt op dit punt niet verder dan een weliswaar mooie Dieric Bouts en anonieme navolgers van Van der Weyden.
De overvloedig aanwezige werken van de laatste geven wel een verhelderend inzicht in zijn werkwijze en zijn drijfveren om tot een nieuwe kunst te komen, zonder dat daarbij de invloed van zijn leermeester Campin en de relatie met Jan van Eyck al te ter sprake komen. In de presentatie wordt het ook niet duidelijk waar er wisselwerking ontstond tussen de schilder en de uitvoerders van wandtapijten en beelden.
Een nieuwe kunst heeft Rogier van der Weyden zeker bedacht. Hij brak met de tot dan toe heersende middeleeuwse (en zelfs Byzantijnse) vorm- en kleurschema’s en ontwikkelde in de plaats daarvan een autonome uitdrukkingskracht. Zijn werk doet daardoor in niets meer denken aan eventuele iconen of andere vormen van religieuze adoratiekunst. Anders dan Van Eyck en ook Memlinc die een veelheid aan onderwerpen en motieven zouden behandelen, centreerde Van Der Weyden zijn aandacht op slechts één enkel thema, namelijk dat van de Kruisafname. Portretten van onder meer Filips de Goede die hij in Brussel, waar Van der Weyden tot stadsschilder was benoemd, heeft geschilderd en voorstellingen met Maria wisselen het oeuvre af. De scènes na de Kruisiging zijn veruit in de meerderheid. Het gaat dus niet zo zeer om het drama van de eigenlijke marteling met de daaropvolgende dood alswel om de weergave van de smart die de gebeurtenis bij de nabestaanden opriep. De Kruisafname wordt zodoende een bundeling van verschillende portretten, opgeladen met emoties . Daarmee wordt Van der Weyden een vroege voorloper van wat later bijvoorbeeld door Frans Hals op het gebied van profane groepsportretten werd gedaan.
Het knappe van Rogier van Weyden is dat hij aan elk van de Christus flankerende figuren een eigen persoonlijkheid mee geeft. ee te geven. Zijn compassie gaat niet alleen naar de gekwelde gekruisigde figuur uit, maar verwijst ook naar de stemmingsbeelden die de omstanders oproepen. Mensen zijn geen statische poppen, maar zijn echt van vlees en bloed. Wat dit realisme aangaat, hanteerde Van der Weyden twee nieuwe elementen. Hij streefde naar een hoog opgevoerde plasticiteit die zijn figuren een monumentaal voorkomen geeft. En hij bereikte een ruimtelijke eenheid waardoor de kijker snel ter plekke komt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.