Thomas Rosenboom schrijft graag over ambitieuze mannen die hun hand overspelen. Zo ook in ’Zoete mond’, waarin licht sadisme en een nuffige stijl opnieuw een onweerstaanbare combinatie vormen, vindt Rob Schouten.
De jongste roman van weinigschrijver Thomas Rosenboom, ’Zoete mond’, speelt zich af in de jaren zestig, niet die van de grote ontzuiling en emancipatie, maar die van een brave dorpsgemeenschap. Her en der breekt de welvaart al wel door, de Beatles komen in de verte langs, mensen hebben auto’s en koelkasten, maar het verhaal dat Rosenboom aan die epoche ontleent is tijdloos.
’Zoete mond’ gaat over twee mannen – al zijn hoofdpersonen zijn mannen, vrouwen fungeren als soms vunzig begeerde schoonheidsobjecten – die, vervuld van zwakheden en ambities de strijd met elkaar aangaan. Het is Rosenbooms vertrouwde thema: obsessieve karakters vol eerzucht proberen iets te bereiken, maar overspelen hun hand en moeten hun verlies incasseren.
Niet dat Rosenboom almaar hetzelfde boek schrijft, zijn boeken zijn juist nadrukkelijk in verschillende tijden en milieus gesitueerd, in de achttiende eeuw bij patriciërs (’Gewassen vlees’), in de negentiende eeuw bij middenstanders in Amsterdam en Hoogeveen ’(’Publieke werken’), in de twintigste eeuw onder scheepsbouwers op het Groninger land (’De nieuwe man’). Rosenboom weet die tijdperken treffend op te roepen, maar niettemin: al zijn karakters ’lijden’ aan een universeel verlangen naar zelfverwerkelijking, aandacht.
De strijd gaat tussen Rebert van Buyten, dierenarts te Angelen, zelfverzonnen Gelders dorpje aan de Rijn (één letter verschillend van het bestaande Angeren), en de dwangmatige grappenmaker Jan de Loper, gebaseerd op een historische figuur: Kees de Tippelaar.
Rebert is een echt Rosenboom-personage. In zichzelf gekeerd, onopgemerkt, weet hij in onaanzienlijk Angelen een seizoenlang toch een zekere naam te verwerven, als aanstichter van een golf van plaatselijke dierenliefde. In zijn onuitgesproken, maar geilige liefde voor Laura Banda, voelt hij zich dwarsgezeten door de populaire Jan de Loper, een welgesteld heer die als een soort Tijl Uilenspiegel de aandacht trekt met allerhande snaakse streken.
Jan de Loper op zijn beurt heeft veel last van de plotse populariteit van de jonge dierenarts bij vrouwen en kinderen. Rosenboom presenteert ze als ruziënde jochies: Reberts praktijk wordt platgelopen door kinderen met dieren die helemaal niet ziek zijn, Jan de Loper produceert de allerflauwste practical jokes.
De menselijke machtsstrijd wordt zo, meer dan in vorige romans, neergezet als een soort kinderspel. Dat geeft het verhaal enerzijds karikaturale trekjes die mij overigens niet storen, vooral in de figuur van Jan de Loper, anderzijds scherpt Rosenboom zijn thematiek ermee aan: de mens is onvolgroeid.
Rosenboom zet zijn boeken heel zorgvuldig op, hij werkt er jaren aan, doet onderzoek, documenteert zich omstandig en laat zich niet afleiden door bijzaken als het schrijven van columns of lucratieve optredens. Niets van de anything goes-slordigheid van veel tegenwoordige auteurs kleeft hem aan. Vakmanschap en virtuositeit zijn zijn handelsmerk.
In het voetspoor van W.F. Hermans, bij wie geen musje ongemotiveerd van het dak mocht vallen, zijn ook Rosenbooms boeken tot in het kleinste detail doortimmerd. Zo begint hij gewoontegetrouw vanuit een zijpad, dat de lezer als het ware vanuit een ooghoek naar de hoofdpersoon voert. Hij zet de verschillende hoofdstukken op als afgeronde scènes, hier en daar afgewisseld met passages van historische of wetenschappelijke aard, om de lezer even bij te praten. Het verhaal ontrolt zich steevast noodlottigerwijs naar een climax of anticlimax.
Zo’n obsessieve precisie geeft Rosenboom ook zijn personages mee: allemaal plannen ze omstandig hun daden, maar anders dan de auteur slagen ze zelden.
Veel aandacht trok Rosenboom in het verleden met zijn op het nuffige af gekunstelde en archaïsche taalgebruik. In het bijna contemporaine ’Zoete mond’ valt dat misschien minder op, maar toch, woorden als ’starlings’ ’voortsuilen’ of ’dorst’ voor ’durfde’, laten zien dat hij nooit gewoontjes wil schrijven. Wat bij een andere schrijver zomaar een natuurbeschrijving is, wordt bij Rosenboom een drukkend moment, zoals wanneer de zojuist gearriveerde dierenarts naar de rivier de Rijn staat te kijken: „Ronkend, vlak onder de wal langs, schoof het schip voorbij, traag stroomopwaarts. De hekgolf sloeg op het strand; hij stond op, duizelig opeens, van de zon en al het licht dat hem tegemoet geblikkerd had. Het was zwaargaans door het hoge gras naar de trap tussen hem en de spelende kinderen. Hoe dichterbij hij kwam, hoe meer er naar hem omkeken, hoe stiller het werd. Op de bovenste trede hoorde hij ineens krekels, alleen nog maar krekels. Even nog bleef hij stilstaan, toen liep hij de trap af en het dorp, een andere stilte in.”’
Die kokette stijl, gevoegd bij de haast sadistische aandacht voor de zwakke kanten van zijn personages, vormen de explosieve en wat mij betreft onweerstaanbare mix in Rosenbooms schrijverschap. Hij is precieus en pervers tegelijk, weet het allerkleinste en lulligste uit zijn personages te halen. In zekere zin zijn zijn romans poppenspelen, ontheven aan de werkelijke wereld, maar opgevoerd om de toeschouwers iets van de menselijke zwakheid te demonstreren.
Deze poppenspeler sleept zijn lezers mee bij het opbouwen van navrante tafereeltjes: Jan de Loper kleineert Rebert door hem, verkleed als zwarte Piet, strooigoed in het gezicht te werpen, maar de reusachtige hengel waarmee hij zelf de aandacht van de pers probeert te trekken als er een verdwaalde dolfijn langs zwemt, loopt uit op een fiasco.
Rebert verdient een bom duiten met een smakeloze sketch voor een Amerikaanse commercial over een executie, maar de lezing die hij voor de Angelse vrouwen en kinderen moet houden over de witte dolfijn ’Moby Dick’, mislukt jammerlijk. Dom, wreed en kleingeestig zit de wereld in elkaar, zie je de schrijver denken. In de jaren zestig is het niet anders dan in de achttiende eeuw.
In 2005 pleitte Rosenboom in een opmerkelijk reactionair pamflet, ’Denkend aan Holland’, voor een terugkeer naar oude waarden: kinderen die opgevoed worden tot beleefdheid en zich op stille zondagmiddagen stierlijk vervelen. Nu zijn romans onze eigen tijd naderen, vraag je je af hoe hij zijn karakters tegen elkaar zal uitspelen in de wereld van internetgames en tv-spelletjes, een wereld waar hij in zijn essay zo van gruwde.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.