Sanne Jansen (begin veertig) is thuis van jongs af aan ernstig mishandeld. Haar ouders zijn verstandelijk gehandicapt, begreep ze later. Ze vindt dat de overheid harder moet optreden om kinderen te beschermen.
’Mijn vader is voor de oorlog ongetwijfeld een intelligente man geweest. Helaas is hij in een concentratiekamp gekomen en heeft daar traumatische dingen meegemaakt. Dit heeft ervoor gezorgd dat hij het leven moeilijk aankon, hij had depressies, en was fysiek een wrak. Door hersenbloedingen is hij verstandelijk gehandicapt geraakt. Naar eigen zeggen is hij met mijn moeder getrouwd, omdat hij wist dat er met hem moeilijk te leven zou zijn. En zij verlaat me niet, dacht hij.
Mijn moeder heeft een laag IQ en kan nauwelijks lezen en schrijven. Ze is een labiele vrouw met geregeld hysterische buien. Die twee mensen hebben drie kinderen gekregen, van wie ik de jongste ben.
Kort na mijn geboorte lag mijn vader in het ziekenhuis, mijn moeder kon niet voor mij zorgen. Daarom kwam ik bij een tante. Rond mijn tweede ging ik weer naar huis. Althans, zo is het mij later verteld. Die tante schijn ik ’moeder’ genoemd te hebben. Het contact met tante is na een ruzie verbroken.
Mijn vader had nachtmerries en sloeg soms gaten in de muur. Als mijn moeder naar bed was – hij vond haar te zwak voor deze verhalen – vertelde hij regelmatig over het levend begraven van zijn medegevangenen. Dat hij moest toekijken. Hij pakte soms een mes en deed net of hij Duitsers hun keel doorsneed. Ik was op die momenten heel bang voor hem.
De persoonlijke hygiëne van mijn moeder was erg slecht, ze had rotte tanden, waste zich maar één keer in de week. Ze kon het gezin niet aan, er werd iedere dag geschreeuwd. Deze scheldpartijen gingen over onzin-dingen: het te veel gebruiken van ketchup over het eten. Of over iets wat je gisteren of vorig jaar had gedaan.
Mijn ouders hadden heel weinig contacten, ze werkten niet, we leefden van de uitkering van mijn vader. Het was een straatarm, geïsoleerd gezin in een achterbuurt van een grote stad. Wij gingen nooit met vakantie.
Thuis spraken we een eigen taal, halve zinnen aangevuld met zelfgemaakte woorden. De buitenwereld begreep dit taaltje niet altijd. Op school was ik een stil meisje. Wel werd ik gepest, omdat ik de verkeerde kleren droeg en anders sprak. Later, op de mavo, is dat zo gebleven.
Mijn moeder had de gewoonte om midden in een kledingwinkel haar hand in haar panty te steken en haar te kleine onderbroek op te trekken. Ze was klein en behoorlijk dik, ik schaamde me op die momenten erg voor haar.
Het ergste vind ik haar machtsmisbruik. Wij ergerden haar en ze stuurde regelmatig mijn vader en mijn oudste broer achter ons aan. Ze stond dan letterlijk met haar arm omhoog en schreeuwde: pak ze. We moesten dan hard wegrennen of kregen een pak slaag. Ik zat altijd onder de blauwe plekken, een keer heb ik zelfs een hersenschudding opgelopen.
Troosten mocht niet in ons gezin, van mijn vader moesten we hard worden, want de wereld was hard. Huilen kon nog een pak slaag opleveren. Ook geknuffeld werd er niet, dat was voor watjes, er was geen ruimte voor warmte of geborgenheid.
Zelf ben ik vanaf mijn achtste misbruikt door mijn oudste broer, die negen jaar ouder is. Dit gebeurde altijd als mijn ouders niet thuis waren, hij moest op ons passen. Ik probeerde hem ondanks mijn jonge leeftijd te vertellen dat hij iemand moest zoeken van wie hij hield. Hij zei dat hij van míj hield. Daarop besloot ik nooit van iemand te gaan houden. Ik heb lang geaarzeld, maar ben het toch aan mijn ouders gaan zeggen, al vertrouwde ik hen niet. Omdat ik gewoon geen kant meer op kon.
Mijn ouders vroegen of ik seks wilde, waarop ik hard ’nee’ zei. Mijn moeder reageerde met de opmerking dat ik niet wist waar ik het over had. Hierop nam mijn vader me mee en deed zijn onderkleding, inclusief onderbroek uit, en hing naakt boven me. Ik denk dat hij wilde uitleggen wat er met seks wordt bedoeld. Hij heeft me niet misbruikt, maar er leek iets te knappen in mijn hersenen. Ze zeiden daarna tegen mijn oudste broer dat hij dit niet meer mocht doen. Het misbruik is gewoon doorgegaan.
De maatschappelijk werker die regelmatig langskwam heeft nooit met ons apart gepraat. We moesten ons bij zijn bezoek netjes gedragen van mijn ouders, anders zwaaide er wat.
In de zomer gingen de kinderen uit ons gezin iedere dag zwemmen in het buitenbad, mijn moeder wilde geen last van ons. Mijn oudste broer vond het leuk om mij onder water te duwen tot ik geen adem meer had. Dan haalde hij me net op tijd weer boven, dit ’spelletje’ deed hij vaak. Ik heb er lang nachtmerries van gehad.
Op mijn tiende werd mijn vader weer opgenomen in het ziekenhuis vanwege een hartinfarct. Mijn moeder kon niet voor iedereen zorgen, dus moest in ieder geval mijn middelste broer naar een tehuis. Dit had de maatschappelijk werker geregeld. Ik heb gesmeekt om mee te mogen, ik wilde weg van thuis en mijn oudste broer. Dat mocht. We zijn er een jaar gebleven.
Na die periode bleef ik bleef doodsbang voor mijn oudste broer. Ik zat vaak urenlang buiten op een bank als hij alleen thuis was. Zodat ik weg kon rennen, als hij eraan kwam. Het misbruik is toen wel gestopt.
Op mijn zeventiende, nadat mijn moeder me maandenlang letterlijk iedere dag op straat zette, ben ik op mezelf gaan wonen. Pas na vele baantjes en studies ben ik erachter gekomen dat ik een bepaalde intelligentie heb en heb ik uiteindelijk hbo gedaan.
Veel later realiseerde ik me dat mijn ouders een verstandelijke handicap hebben. Ik heb dit pas ingezien toen ik zelf met licht verstandelijk gehandicapten met ernstige gedragsproblematiek ben gaan werken. Ik herkende veel, voelde me thuis in dit werk, want het gedrag was ik gewend.
Ik heb een ernstige hechtingsstoornis, kan vrijwel geen intimiteit aan. Dit maakt voor mij het leven niet waard om geleefd te worden. Want het draait naar mijn idee in deze wereld niet om het hebben van een huis, auto, of status, maar om warmte, liefde en geborgenheid. Juist dat kan ik emotioneel niet aan.
Ik ben in mijn leven aantrekkelijke mannen tegengekomen, die hetzelfde van mij dachten. Zodra ze meer wilden dan alleen maatjes zijn, weerde ik ze af. Ik heb nooit een relatie gehad. Begrijp me niet verkeerd, ik kan lachen, naar de film gaan, maar ik lééf niet echt. Ik ben nog steeds aan het overleven, ik hou mensen altijd in de gaten, observeer, analyseer om me veilig te voelen.
Mijn vader is een paar jaar geleden gestorven. Met mijn oudste broer heb ik alle contact verbroken. Mijn moeder woont in een instelling, ze is aan het dementeren. Nu zij verzorgd wordt, kan ze ook lievere kanten van haar karakter laten zien. Ik realiseer me nu dat zij altijd in een instelling had moeten wonen.
Ik vertel dit verhaal omdat ik vrees dat er nog steeds veel kinderen in gezinnen met incapabele ouders leven. Mensen die niet kunnen lezen of schrijven, geen rijbewijs kunnen halen, mogen wel gewoon kinderen krijgen. Maar wie denkt eraan wat er met die kinderen kan gebeuren?
Ook in instellingen voor verstandelijk gehandicapten en psychiatrie zitten mensen die eenzelfde soort jeugd gehad hebben als ik, met soortgelijke ouders. Zij hebben geen stem. Ik pleit voor een uitgebreid onafhankelijk onderzoek naar wat zich afspeelt in dit soort gezinnen.
Mijn ouders hadden nooit kinderen mogen krijgen. Over zo’n jeugd kom je namelijk niet meer heen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.