Het aantal vmbo’ers dat extra steun nodig heeft om een diploma te halen, blijft groeien. De steun die deze probleemleerlingen krijgen –de leerwegondersteuning– kan veel beter, zeggen betrokkenen uit het vmbo vandaag in Trouw.
In klas 1 en 2 zitten deze leerlingen meestal apart, in kleine groepen. Die veilige omgeving is goed voor hun prestaties. Toch worden ze in de bovenbouw vaak in gewone klassen gezet met reguliere vmbo’ers, omdat dat goedkoper is. „Dat wreekt zich”, zegt voorzitter Jan van Nierop van het landelijk vmbo-platform. „We halen niet uit deze leerlingen wat erin zit.”
Ook in de bovenbouw zijn kleine klassen de beste manier om deze leerlingen te steunen, zegt Trix van Lieshout, orthopedagoge aan een Utrechtse vmbo-school. „Ouders moeten in opstand komen.”
Volgens de meest recente cijfers gaat het om zo’n 100.000 leerlingen. Van alle vmbo-4-scholieren krijgt 20 procent ondersteuning; in 2003 was dat percentage nog 14. Leerlingen behoren tot de groep als ze van de basisschool komen met anderhalf jaar achterstand in taal of rekenen, of met sociaal-emotionele problemen.
Dankzij de leerwegondersteuning moeten deze leerlingen toch een diploma kunnen halen, in principe op alle vmbo-niveaus. Maar in de praktijk blijft ruim 90 procent op een van de twee laagste niveaus steken.
Vmbo-scholen krijgen extra overheidsgeld voor deze leerlingen. Ze verantwoorden nauwelijks waaraan ze dat uitgeven, blijkt uit onderzoek dat het ministerie van onderwijs vorige week openbaar maakte. Van onrechtmatige besteding is echter geen sprake, aldus het ministerie.
Maar de door Trouw geraadpleegde deskundigen zijn sceptisch. „Er zijn scholen waar weinig verschil bestaat tussen wat er aan deze leerlingen en aan gewone vmbo’ers geboden wordt”, zegt Dolf van Veen van het Nederlands Jeugdinstituut.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.