*

 

’Deze kinderen kunnen méér’

Hanne Obbink − 15/06/09, 00:00

Trouw onderzoekt hoe de middelbare school zorgt voor achterblijvers. Vandaag deel 1: hoe vergaat het de leerlingen die vroeger naar de lomschool gingen nu zij het ’gewone’ vmbo moeten doen aangevuld met ’leerwegondersteunend onderwijs’?

  • Op het ¿lesplein¿ moeten de leerlingen van de Oscarschool zelfstandig werken: om te wennen aan het mbo. Maar is het genoeg? (FOTO KOEN VERHEIJDEN)

’Een meisje redde het niet in de brugklas, ze leed onder prestatiedruk. Daarom kwam ze in het speciaal onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden terecht, het svo-lom, en daar haalde ze toch haar mavo-diploma. Daarna ging ze via de havo naar het hbo en kreeg ze een prima baan.”

Dat was zo’n twintig jaar geleden, vertelt Jan van Nierop, voorzitter van de stichting platforms vmbo (een landelijke club van vmbo-scholen). „In de huidige omstandigheden”, vervolgt hij, „zou dat haar nooit gelukt zijn. Het svo-lom is verdwenen, meisjes zoals zij moeten het nu zonder steun zien te redden in het vmbo. Daardoor halen ze een lager niveau of vallen uit.”

De vraag aan Van Nierop was: hoe gaat het met vmbo-leerlingen die extra zorg en begeleiding nodig hebben? Het antwoord luidt: dat kan veel beter.

Van zo’n 100.000 scholieren in het vmbo is officieel vastgesteld dat zij zonder die extra zorg hun diploma waarschijnlijk niet kunnen halen. Deze leerlingen, zo’n 20 procent van alle vmbo’ers, hebben recht op ’leerwegondersteunend onderwijs’ (lwoo). Dat betekent dat vmbo-scholen voor hen extra geld krijgen. Daarmee kunnen scholen hen in kleinere klassen zetten; ze kunnen er ook remedial teachers en orthopedagogen van betalen, of huiswerkbegeleiding.

Gaat het goed met deze leerlingen? Trouw sprak met vier insiders. Dat levert geen onverdeeld positief beeld op. Lang niet alle lwoo’ers krijgen genoeg aandacht, zeggen zij. Daarnaast is er een groep leerlingen die vóór de invoering van vmbo en lwoo wél steun kreeg, maar nu buiten de boot valt.

Die groep die géén leerwegondersteuning krijgt (maar wel zorg nodig heeft), komt vooral uit het svo-lom. Die vorm van speciaal onderwijs is tien jaar geleden geïntegreerd in het vmbo. Lom-leerlingen konden dankzij leerwegondersteuning of met steun betaald uit andere potjes best een ’gewoon’ vmbo-diploma halen, was de gedachte. Daar zaten mooie idealen achter: jongeren met en zonder problemen moesten bij voorkeur samen naar school. Bovendien scheelde het in de kosten, want speciaal onderwijs is duur.

Hoe verliep die integratie in de praktijk? Orthopedagoge Trix van Lieshout heeft dat onlangs nog meegemaakt. Zij werkte aan een voormalige svo-lom-school die als ’nevenvestiging zorg’ bleef voortbestaan. Maar drie jaar geleden werd de school samengevoegd met het Deltacollege, een vmbo-school in Utrecht. „Svo-lom-scholen boden hun leerlingen vooral veiligheid, school was een soort warm bad. Die veiligheid missen sommige leerlingen nu. Er zijn er geweest die in de pauze niet naar buiten durfden, die zich letterlijk in de kast verstopten.”

Op het Deltacollege heeft de integratie niet louter schadelijk uitgewerkt. Van Lieshout: „Er zijn leerlingen voor wie de menging met reguliere vmbo’ers goed werkt. Svo-lom-leerlingen gingen zich soms gedragen naar het stigma dat ze door zo’n aparte school krijgen.” Maar, vervolgt zij, leerlingen ontwikkelen zich pas goed als hun nieuwe school de deskundigheid heeft om met deze specifieke groep om te gaan.

Zeker de eerste jaren ontbrak het in het vmbo aan die deskundigheid, stelt Nico Rosenbaum, voormalig voorzitter van het landelijk werkverband van svo-lom-scholen. Maar erger dan deze aanloopproblemen vindt hij het feit dat er nog steeds leerlingen zijn die zorg mislopen. Een bepaalde categorie die vroeger op het svo-lom zou zitten, zit nu in het vmbo, zonder leerwegondersteuning. „Die groep is uit het vizier verdwenen.”

De oorzaak is helder: er gelden andere criteria om als lwoo-leerling aangemerkt te worden dan destijds voor het svo-lom golden. De lom-groep bestond uit leerlingen met leer- én gedragsproblemen. Daar zaten kinderen bij die intelligent genoeg waren om een mavo-diploma te halen, maar die door omstandigheden – de situatie thuis of sociaal-emotionele problemen zoals die van het brugklasmeisje van Van Nierop – extra steun nodig hadden. De criteria voor lwoo-leerlingen leggen veel sterker de nadruk op leerachterstanden en IQ.

Rosenbaum: „Die groep wat intelligentere leerlingen met problemen, daar hoor je niets meer van. Die krijgt niet de zorg die ze verdient. In het svo-lom haalden enkele duizenden leerlingen per jaar hun mavo-diploma. Ik ben er stellig van overtuigd: dit soort leerlingen doet nu op een te laag niveau examen. Of ze vallen voortijdig uit.”

Het zorgelijke beeld dat Van Nierop en Rosenbaum schetsen, geldt een paar duizend leerlingen, jongeren die wel zorg nodig hebben maar niet onder de lwoo-criteria vallen. Gaat het beter met die tweede, vele malen grotere groep leerlingen die wel onder die criteria vallen?

De cijfers lijken erop te wijzen dat veel lwoo’ers het redelijk doen. Ze haken dubbel zo vaak voortijdig af als andere vmbo’ers, maar van degenen die de rit uitzitten, slaagt 95 procent voor z’n examen, nauwelijks minder dan de rest.

Toch is dat succes betrekkelijk. Want op papier is leerwegondersteuning bedoeld voor vmbo’ers op alle niveaus, van vmbo-basis tot en met de theoretische leerweg (de vroegere mavo). Maar in de praktijk blijft het gros van de lwoo-leerlingen op het laagste niveau steken. Minder dan 7 procent van alle lwoo’ers haalt de eindstreep op het niveau van de theoretische leerweg.

Halen de scholen dus te weinig uit deze groep leerlingen? Dolf van Veen, die zich bij het Nederlands Jeugdinstituut bezighoudt met onderwijs en jeugdhulpverlening, is sceptisch. „Het aantal lwoo’ers blijft groeien. Scholen hebben daar belang bij, want dat levert geld op. Soms doen ze daar iets goeds mee. Maar ik ken ook scholen waar weinig verschil bestaat tussen wat lwoo’ers en gewone vmbo’ers geboden wordt.”

Dat laatste geldt het sterkst voor de hogere klassen van het vmbo. Veel scholen zetten lwoo’ers in leerjaar 1 en 2 nog in aparte, kleine klassen met een overzichtelijk clubje vaste docenten. In die veilige omgeving komen ze vaak tot grotere prestaties dan in het grotere geheel van reguliere vmbo-klassen.

Maar in de bovenbouw zit het leeuwendeel van de lwoo’ers in gewone klassen. Omdat vmbo’ers in de bovenbouw verdeeld worden over verschillende leerwegen, sectoren en afdelingen, is het voor de scholen onbetaalbaar in elke afdeling aparte lwoo-klasjes te vormen. En dus bestaat de leerwegondersteuning in de bovenbouw vaak slechts uit steun van bijvoorbeeld een remedial teacher.

Sommige vmbo-directeuren vinden dat ze hun lwoo’ers zo afdoende ondersteuning bieden. Maar Jan van Nierop (behalve voorzitter van het vmbo-platform ook directeur van het DaCapo College in Sittard en Geleen) zegt onomwonden ’nee’ op de vraag of dit genoeg is. „En dat wreekt zich. In het vmbo zelf – omdat we niet uit deze leerlingen halen wat erin zit – maar ook in het mbo. De overstap naar de grootschaligheid van het mbo is juist voor hen heel indringend. Deze groep moet een flinke sprong maken en velen lukt dat niet.”

Orthopedagoge Van Lieshout is duidelijk: lwoo’ers in kleine klassen zetten, is ook in de bovenbouw het beste instrument. „Ouders zouden in opstand moeten komen als dat niet gebeurt.”

mailIcon print |