De Britse classica Mary Beard schreef een heel aardig boek over het dagelijks leven in Pompeï. De stad die onder het puin en lava tevoorschijn kwam, was een stad in ontreddering.
De grootste erfenis die de Romeinse oudheid heeft nagelaten over de vraag hoe de mensen destijds leefden en werkten, zijn wellicht de steden in Campanië, die eind augustus 79 na Chr. (misschien een of twee maanden later) onder dikke lagen as, puimsteen en lava werden bedolven bij de uitbarsting van de Vesuvius. De belangrijkste onder hen is Pompeï, en vanaf het midden van de achttiende eeuw wordt de plaats opgegraven – een proces dat nog steeds in volle gang is.
Er zijn dus steeds nieuwe vondsten, nieuwe inzichten en nieuwe theorieën. Je kunt de vinger aan de pols houden door de website van de daar werkzame archeologen te raadplegen (www.pompeiisites.org). Maar heel aardig is ook het boek te lezen dat de classica Mary Beard in 2008 schreef over het dagelijks leven in die stad. Er is nu een Nederlandse vertaling van verschenen waarin de hoogleraar uit Cambridge haar lezers kordaat langs de interessantste opgravingen leidt met een scherp oog voor de leefomstandigheden van de Pompeïanen.
Een hoogtepunt is dan ook het hoofdstuk waarin ze een minutieus beeld schetst van een bakker, een bankier en een garum-fabrikant. Haar weerzin tegen garum, de befaamde Romeinse vissaus, walmt je tegemoet: wellicht „een uitgesproken stinkend brouwsel van rotte, gezouten vis, schaal- en schelpdieren”. Met genoegen wijst ze erop dat ook de Romeinen ambivalente gevoelens hadden over garum, zoals blijkt uit een epigram van de dichter Martialis waarin een zekere Flaccus er nog in slaagde een erectie te krijgen nadat zijn vriendin zes porties garum had gegeten. Maar vervang garum door knoflook, en je begrijpt dat die weerzin relatief is.
Een aardig detail is dat in het huis van de fabrikant ook een vat met ’kosjere’ garum werd gevonden. Bij de analyse van de inhoud bleek inderdaad dat daarin geen schaaldieren zaten. Kennelijk woonde in Pompeï ook een Joodse gemeenschap, waar trouwens meer aanwijzingen voor zijn, zoals een inscriptie in het Hebreeuws.
Het zijn dit soort observaties die het boek van Beard tot een groot leesgenoegen maken. Daarbij moet je je er maar bij neerleggen dat ze met een soms irritant dedain hypothesen van ’de wetenschappers’, zoals ze dat zegt, naar de prullenbak verwijst. Uiteraard waren de opgravingsmethoden in de achttiende en negentiende eeuw niet zo verfijnd als later, en de romantische ideeën over het in één klap ’gestolde Pompeï’ zijn natuurlijk onhoudbaar. Het Pompeï dat we bij de opgravingen terugvinden, was een stad in ontreddering. Het overgrote deel van de bevolking had zich vóór de catastrofe al in veiligheid gebracht, gewaarschuwd door de voortdurende trillingen van de bodem. Na de uitbarsting hebben eigenaars en plunderaars zich een weg gezocht door de dikke lagen puin en lava, en dat alsnog bekocht met hun leven, doordat tunnels, die werden gegraven, instortten.
Niet alleen in die laatste dagen vóór de uitbarsting verkeerde de stad in ontreddering. Een jaar of zeventien daarvoor was Pompeï door een zware aardbeving getroffen, en een aantal tempels en andere gebouwen waren nog steeds niet gerestaureerd. Dat verklaart wellicht waarom er zo veel sporen van bouwactiviteiten in de stad zijn aangetroffen. Maar bij de vulkaanuitbarsting waren de achtergeblevenen kansloos: door de pyroclastische stroom gingen hun hersenen koken, zoals Beard opmerkt. En het befaamde diepe Romeinse rood van de fresco’s is er door de gloeiende lavastroom vermoedelijk nog roder op geworden doordat het geel in de verf verkleurde.
Uiteraard ontbreekt een hoofdstuk over wijn en seks niet; op dat laatste terrein bezit Pompeï immers vanwege de vele erotische afbeeldingen een grote reputatie. Maar ook over de manier waarop de stad werd bestuurd, spelen werden gehouden en welke goden werden vereerd, geeft Beard goed leesbare informatie zonder voetnoten, maar met een uitstekende bibliografie aan het eind van het boek. Voor de illustraties grijpt ze nogal eens terug op negentiende-eeuwse gravures, want veel van wat in die bijna twee eeuwen is blootgelegd, is inmiddels verbleekt en vergaan.
De vertaling bevat opmerkelijke fouten; kennelijk is die te haastig gemaakt en niet goed gecorrigeerd. Zo wordt Isis een keer met Io verward, worden de beruchte stadionrellen van 59 na Chr. tot tweemaal toe vóór Chr. gedateerd, en op pagina 47 wordt, nogal bizar, opgemerkt dat er in 79 niet één gebouw in gebruik was dat van na de derde eeuw v.Chr dateert, terwijl er juist in de tweede eeuw veel nieuwe gebouwen verrezen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.