*

 

’Ik zet niet alle bijen in, ik houd gezonde volken achter de hand’

Maaike Bezemer − 15/07/09, 00:00

Bij imkerij de Werkbij in Rhenen geen horrorverhalen over varroamijt of verdwijningsziekte. „Wij hebben nauwelijks last.”

  • (Trouw)

Kees Verrips heeft vorig jaar een van de grootste imkerijen in Nederland overgenomen. Zijn bijen bestuiven landbouwgewassen, hij oogst honing uit natuurgebieden en levert kasten en andere materialen aan collega’s. De imker hoort overal over bijenziektes, maar praat zelf liever over de mooie dingen van zijn vak. „Als je met een boer door zijn stal loopt, vertelt die ook hoeveel melk de koeien geven. Niet welke ziektes ze allemaal kunnen krijgen.”

De imker wil de bijensterfte niet bagatelliseren. Hij tekende als een van de eersten de petitie ’Stop de bijensterfte’. „Ik ben geen wetenschapper, maar als men zegt dat het ook aan insecticiden kan liggen, dan moet je dat onderzoeken. Bij mij thuis in Emst is geen landbouwgrond bereikbaar in een straal van drie kilometer, de topafstand die bijen vliegen. Ik heb geen massale sterfte. Rond Boskoop, hart van de tuinderij, gaan al jaren bijenvolken verloren. Dat zet je aan het denken.”

De honingbij is niet vervangbaar, verduidelijkt Verrips. „In de tuinbouw worden wel hommels ingezet, maar die zijn minder slim. Als een bloem geen nectar bevat, zoekt een bij de volgende. Een hommel blijft wroeten en bijt desnoods de stamper kapot.” Geen insectengroep die zo massaal bestuift als de honingbij. „In de natuur levert dat meer vruchten op, waar vogels en andere dieren van profiteren. Als wandelaars bij Emst constateren dat de vossebes het goed doet, dan weet ik hoe dat komt.”

Van februari tot november doorkruist hij het land met zijn bijen. Tweehonderd kleine volken worden uitgezet in kassen, bijvoorbeeld met aardbeien. Met de grote volken volgt de imker de bloei buiten. Van wilg en fruitbomen naar koolzaad, linde en vossebes om te eindigen bij de dopheide. Van die grote volken, elk 50.000 bijen, heeft de Werkbij er ook zo’n 200. „Eigenlijk ben ik de grootste veehouder van Nederland”, grapt Verrips. „Zonder uitstoot.”

De imker snapt dat al dat gesjouw naar honderd adressen niet heel natuurlijk overkomt. Maar volgens hem hebben bijen er geen last van. „Als je bijen ’s avonds verplaatst, hebben ze geen stress, als ze ’s morgens uitvliegen zijn ze gewend aan zo’n kas en georiënteerd.” Bij alles wat je doet, moet je nagaan of je goed bezig bent, vindt hij. „Ik zet niet al mijn bijen in voor bestuiving, ik houd gezonde volken achter de hand. En als bijvoeding geef ik kristalsuiker, geen kunsthoning.”

Verrips is gefascineerd door bijen. In een friemelende kluit ziet hij een bijzonder collectief, waarin elk beestje keurig doet wat ie moet doen. „Alleen de koningin al. Een werkster heeft 21 dagen nodig om uit een cel te kruipen en waggelt dan over de raat. Een koningin kan na zestien dagen rennen, vliegen, steken en heeft de eierstokken ontwikkeld, alleen omdat aan haar een overvloed aan koninginnegelei is gevoed. Dat verzin je niet. Het is prachtig om dat wonder te beleven en ook nog honing te mogen oogsten.”

Dat wonder wil de ex-leraar ook overdragen op jongeren. „We móeten ook. De gemiddelde leeftijd van imkers ligt nu boven de zestig. Dat betekent, plat gezegd, dat het met tien jaar ophoudt.” Vmbo-klassen uit Veenendaal komen al op bezoek. „Eerst gaan de kragen dicht uit angst voor steken en niet iedereen houdt het een uur lang vol. Maar bij één of twee leerlingen komt het aan.”

Over de toekomst van de Werkbij hoeft hij zich geen zorgen te maken. Zodra Verrips een kast of korf opent, staan zijn jongste kinderen er bovenop. Wouter (bijna 9) haalt trots de bekers die zijn vader pas heeft gewonnen op de bijenmarkt in Uddel. „Ik volg hem op”, zegt hij beslist.

mailIcon print |