*

 

Project voor Rwandese straatkinderen komt moeizaam van de grond

Harmen van Dijk − 13/06/09, 00:00

Vorig jaar won stichting Jyambere de Idealen-wedstrijd, maar opvang van Rwandese straatkinderen blijkt behoorlijk ingewikkeld.

  • De kinderen van Julienne Nirere, Prosper, Carine en Sharon, treden op met de dansgroep African Pride. Daarmee zamelen ze geld in voor het project Jyambere. (Foto Bart van der Moeren)
  • (Trouw)

Het is niet eenvoudig om je ideaal te realiseren. Zeker niet in een land dat duizenden kilometers ver weg ligt. Al kom je er zelf vandaan, ken je de situatie en spreek je de taal. Dat ondervond de Rwandese Beatrice Nyirampunga, die vorig jaar de idealenwedstrijd won met haar plan om straatkinderen in haar geboorteland op te vangen. Dat er straatkinderen zijn, weet ze zeker. Maar het is niet eenvoudig ze te vinden en te helpen. „De overheid ontkent dat ze er zijn en je krijgt problemen als je dat tegenspreekt.”

Nyirampunga (50) ontvluchtte in 1994 Rwanda. In het asielzoekerscentrum in Groningen ontmoette ze landgenote Julienne Nirere, die in de chaos haar zoontje van twee was kwijtgeraakt. Gelukkig werd het kind later gevonden, in België. Maar de twee vrouwen beseften dat veel kinderen dat geluk niet hadden. Nadat een groot deel van de Rwandezen een aantal jaren op drift was geweest, bleven veel kinderen verweesd achter. Een plan om een helpende hand uit te steken was al snel geboren. Met twee Nederlandse vrouwen zetten ze het project Jyambere op: ’Aanmoediging tot ontwikkeling’.

Ze wonnen er de idealenwedstrijd mee, maar nu, een jaar later, is er nog niets concreets gebeurd. „Ik heb de kinderen in mijn hart. Ik zou hemel en aarde bewegen om iets voor ze te doen, maar ik voel me soms machteloos”, zegt Nyirampunga.

„Het gebeurt vaak: mensen zijn gegrepen door wat ze zien en willen iets doen. Vol enthousiasme gaan ze aan de gang. Zeker als het voor hun eigen land is”, zegt Gert Kuiper. Hij is relatiebeheerder bij de stichting Impulsis, één van organisaties die het idealenproject ondersteunt.

Nadat Nyirampunga en haar medestanders de wedstrijd hadden gewonnen, voerde hij gesprekken met ze. Om ze op weg te helpen. „Dat kan heel ontnuchterend werken. Ik ontdekte dat ze met veel goede bedoelingen iets voor hun eigen land wilden doen. Maar ze hadden geen contacten met lokale organisaties om zich bij aan te sluiten. Een school bijvoorbeeld of een hulporganisatie. Dat is voor ons een voorwaarde. Het moet geen zaak van individuen zijn, maar een breed gedragen initiatief. Je moet een hele structuur opzetten. Als je de kinderen wilt helpen, moet er scholing komen, daarna werk. Ze moeten integreren in de gemeenschap. Het zijn complexe projecten en je zit daar als stichting, onaardig gezegd, tot in het oneindige aan vast.”

Kuiper kraakte nog meer harde noten. In Rwanda is de stammenstrijd die destijds tot een slachting leidde, nog steeds actueel. „Ze hadden niet nagedacht welke groep ze wilden helpen: hutu’s of tutsi’s? Ze waren een beetje geschokt dat ik die vraag stelde, maar dat is wel nodig. Rwanda is een dictatoriaal land waar op dit moment de tutsi’s aan de touwtjes trekken. Ook in het onderwijs is dat zo. Daar kun je je niet zomaar aan onttrekken.”

Nyirampunga merkte inderdaad dat de machthebbers in Rwanda niet op haar plan zaten te wachten. Een priester, die ze had ingeschakeld om te kijken waar ze kinderen zou kunnen vinden, werd gearresteerd. De reden is onduidelijk. „Waarom wordt iemand in Rwanda gearresteerd? Misschien omdat hij op zoek was naar die kinderen? Straatkinderen bestaan immers officieel niet. Mensen kunnen elkaar van van alles beschuldigen. Je kunt zomaar opgepakt worden.”

Daarmee was de lokale partner, die Kuiper zo belangrijk vindt, verdwenen. Maar ze vond nieuwe partners. In Nederland sloot ze zich aan bij de organisatie Silent Work, die ervaring heeft met projecten in Rwanda. „Daar staat ook ons geld. Zodat, als het allemaal niet mocht lukken, de donateurs hun geld terug kunnen krijgen. Het geld komt niet in de zak van Beatrice”, lacht ze.

Niet dat ze aan opgeven denkt, integendeel. Vol enthousiasme heeft ze de club mensen die Jyambere ondersteunt het afgelopen jaar uitgebreid. In haar nieuwe woonplaats Schiedam ging ze naar de kerk, waar ze vertelde dat het niet makkelijk was om zo’n project uit te voeren. Er kwam een bericht in het kerkblad. „Daarna kwamen er mensen naar me toe die zeiden: ’Beatrice, ik hoorde over de kinderen in Rwanda. Ik wil helpen’.” De groep bestaat inmiddels uit twaalf vrijwilligers.

Nyirampunga wacht met smart op een e-mail van de Rwandese organisatie Caritas. Die moet de lokale partner in Rwanda worden. „We doen geen zaken meer met individuen. Ik wil een contract met die organisatie waarin we vastleggen dat we samenwerken. Daarna gaat er iemand van onze groep met iemand van Silent Work naar Rwanda om ter plekke afspraken te maken. Je kunt niet alles per brief doen”, weet Nyirampunga nu. Pas als al die zaken geregeld zijn, wil de groep een eigen stichting oprichten. „Dat gebeurt op zijn vroegst volgend jaar.”

Plannen om een opvanghuis op te zetten, heeft Nyirampunga opgegeven. Alleen al omdat de Rwandese overheid daarvoor nooit toestemming zou geven. „We willen kinderen onderbrengen bij families en die families ondersteunen, zodat de kinderen naar school kunnen.”

Gert Kuipers van Impulsis vindt dit een veel beter plan. „Tehuizen zijn een ’blanke’ oplossing. In Afrika zijn kinderen een gezamenlijke verantwoordelijkheid, opvang van wezen en straatkinderen moet je zoveel mogelijk in een gemeenschap realiseren. Een tehuis is er hooguit voor verstoten kinderen: albino’s, gehandicapten.”

Hij ziet wel toekomst in het Jyambere-project. „De initiatiefnemers zijn energiek en hebben op zich goede ideeën. Maar ze moeten erop letten dat de vraag komt van de mensen die ze willen helpen. Je moet niet zelf bedenken wat mensen nodig hebben.”

mailIcon print |