*

 

Aan je familie ontkom je niet

Beatrice de Graaf − 05/09/09, 00:00

Zeventig jaar na het begin van de Tweede Wereldoorlog tobben Duitsers nog volop met het belaste verleden van ouders en grootouders. Maar de generatieromans die het land momenteel overspoelen gaan ook over de vraag hoe je überhaupt, Duits of niet, met familiebanden omgaat.

  • Berlijn, 2009. De hippe jonge auteurs die na de Wende furore maakten, zijn ouder geworden en bezinnen zich nu op familie en gezin. (FOTO AFP)

Familie is in, single zijn is uit. De tientallen romans van hippe singles over het Berlijn van de afgelopen tien, vijftien jaar hebben plaats gemaakt voor portretten van de gestaag oprukkende burgerfamilie. De jonge schrijvers zijn de dertig gepasseerd. Als ze het voorheen wilde Osten in Prenzlauer Berg en omstreken al niet gedomesticeerd hebben met hun uitdijende kinderschaar, dan zijn ze er wel over na aan het denken – en schrijven. Deze golf van familieliteratuur wordt nog eens versterkt door de recente vloed ’herinneringsboeken’ waarin derde en vierde generatie Duitsers het oorlogsverleden van hun ouders en grootouders reconstrueren.

Dat leidt tot totaal verschillende visies op de waarde van het gezin. Grof gezegd zijn er twee ’stromingen’: de historische of epische generatieromans, die de band met de voorgaande geslachten proberen te reconstrueren, en de postmoderne generatieromans, die die band juist problematiseren.

De eerste categorie is meestal licht nostalgisch van toon. Een goed voorbeeld is Amelie Frieds roman ’Schoenenpaleis Pallas’. Vanaf 1914 hadden Frieds grootouders in München een schoenenwinkel: „Ik herinner me vrouwenvoeten die met behulp van een schoenlepel in elegante pumps glijden – ‘hakkenschoenen’ noem ik die, en die zou ik dolgraag willen hebben, maar ze bestaan niet voor kinderen.”

Maar natuurlijk zijn Duitse familieromans, zeker als ze meer dan één generatie teruggaan, nooit zomaar onproblematisch nostalgisch. Al spoedig doemt de schaduw van het Duitse verleden op. En meestal is dat überhaupt de reden dat de auteur is gaan spitten. Zo ook Fried, die haar boek de ondertitel gaf ’Hoe mijn familie zich tegen de nazi’s verzette’. Fried, een succesvolle schrijfster en presentatrice van rond de vijftig, wil haar kinderen eindelijk kunnen vertellen wie haar ouders en grootouders waren en waarom zij altijd zwegen over de oorlog. Eén keer vroeg ze het haar vader zelf: „ ’Zeg, papa, hoe was het eigenlijk tijdens de oorlog?’ luidde mijn opzettelijk naïeve vraag. ’Ja, hoe denk je?’ antwoordde hij met zijn zware Zwabische accent. ’Klote was het, wat dacht je dan?’ ’Ben je soldaat geweest?’ ’Jawel,’ bromde mijn vader steeds onwilliger, ’maar toen wilden ze me niet meer.’ ’Waarom niet?’ ’Hou nou op met dat domme geklets, hoor je!’ snauwde hij, en daarmee was het gesprek afgelopen.”

Frieds opa, Franz, was Joods, haar vader half-Joods. Halverwege de oorlog pakten de nazi’s hun schoenenwinkel af en belandden ze in een concentratiekamp. Zij overleefden het, veel van hun familieleden niet. Frieds roman – eigenlijk meer een meeslepende zoektocht naar verborgen feiten – is daarmee een hommage aan het moeizame leven van haar ouders en grootouders. En een bewijs dat de familie Fried nog steeds bestaat. Dat is een ’triomf over al degenen die de dragers van die naam het liefst volledig hadden uitgeroeid’. Frieds boek is een modern en vlot geschreven familieroman, van het soort dat goed in het voortgezet onderwijs gebruikt kan worden, het is geleefde Duitse geschiedenis in een notedop.

Een ander voorbeeld dat het vermelden waard is, is Jenny Erpenbecks ’Heimsuchung’, net in het Nederlands verschenen onder de titel ’Huishouden’. ‘Heimsuchung’ betekent niet ’Huishouden’, hoewel dat een aardige vondst is, maar huiszoeking, plaag of heimwee. Alle drie de elementen komen terug in deze virtuoos geconstrueerde roman over de geschiedenis van drie families en vijf generaties, lopend van 1936 tot aan de Wende.

In krap tweehonderd pagina’s vertelt Erpenbeck twaalf verhalen, die elkaar gedeeltelijk overlappen en die allemaal spelen in en rondom een huis aan het Mürkisches Meer. Het is ook Erpenbecks eigen geschiedenis, haar grootouders woonden er na 1945. Toch is haar stijl in het geheel niet persoonlijk. In een bijna wetenschappelijk, onthecht taalgebruik beschrijft Erpenbeck het Markische landschap, de deportatie en vergassing van de Joodse buurfamilie, de onttakeling van het huis na de Wende. „Wie bouwt, hecht zijn leven nu eenmaal aan de aarde”, zegt de architect die het huis in 1936 bouwde. Maar in het Duitsland van de twintigste eeuw zijn huizen bestendiger dan levens: „Thuis was nu veranderd in de tijd die achter hem lag, Duitsland eens en voor altijd in iets lichaamloos, in de verloren geest waarmee je al die verschrikkingen niet wist en ze je ook niet hoefde voor te stellen.”

Familieperikelen in de roerige Duitse twintigste eeuw leveren echter niet altijd boeiende literatuur op. De oogst van de eerste helft van 2009 (zie bijvoorbeeld de boeken van Eleonora Hummel of Elke Vesper) laat zien dat de grens tussen literatuur en lectuur erg dun is. Het format Duitse generatieroman kan ook heel triviaal en voorspelbaar zijn.

Nee, dan de postmoderne generatieroman van Thomas van Steinaecker (1977). Zijn roman ’Wallner begint te vliegen’ kan gerust als het negatief van alle gemakzuchtige Duitse oorlogs- en dramaverhalen worden opgevat. Hij legt de Duitse familie op de snijtafel en voert een meedogenloze vivisectie uit. Stefan Wallner is de patriarch, die een imperium van landbouwmachines opbouwt. Zijn zoon Costin is een wannabe-popster, die eventjes blinkt en vervolgens een bestaan als uitgeblust ex-idool leidt. Kleindochter Wendy is een lesbische literatuurwetenschapster die de familiegeschiedenis optekent. De roman is echter niet historisch. Het boek begint in het heden, met het leven van vader Wallner, en eindigt ergens in 2070 met de wederwaardigheden van Wendy.

De rode draad: Elk familielid probeert de familie te ontvluchten. Vader Wallner begint in Parijs een paranoïde dubbelleven. Costin leeft slechts voor de camera’s. Wendy zoekt haar heil in postmoderne literatuurfilosofieën. Elk familielid lijdt onder een groot gebrek aan werkelijkheidszin. Wendy’s toekomst is in dat opzicht niet veel rooskleuriger dan haar grootvaders verleden. Niemand kan aan de ban van de geslachten ontkomen, zo luidt Steinaeckers boodschap.

Costin maakt het het bontst. Hij kan alleen met tegenslagen omgaan als hij zichzelf filmt of zijn leven als stripboek voorstelt: „Als hij ’s nachts wakker lag en de zaken niet naar wens waren verlopen, had hij zich soms het bijbehorende interview of het optreden als comic voorgesteld – waarbij hij dan meestal in slaap viel”. Van een functionerende familie is geen sprake. De kinderen lijken allemaal per ongeluk verwekt te zijn.

Toch is ’Wallner begint te vliegen’ meer dan een satire op het epische genre. Ondanks de cynische toon probeert het iets zinnigs te zeggen over de band tussen de levenden en de doden, over de eigen afkomst en oorsprong. Ook Duitse schrijvers van rond de dertig, veertig, nemen er blijkbaar geen genoegen meer mee om als ‘homo clausus’ te leven: hun hoofdpersonen worden ingebed in de lijn van de geslachten, hoe akelig en zinloos die familiegeschiedenis mag zijn.

Eigenlijk is die trend al begonnen in 2007, toen Arno Geiger zijn antifamilie-generatieroman schreef ’Es geht uns gut’: We zijn gedoemd om het gepruts van onze ouders en grootouders te herhalen. Erg opbeurend is dat niet. Maar het levert wel intrigerende romans op.

mailIcon print |