*

 

Je even van adel wanen

Jeroen Thijssen − 15/07/09, 00:00

Culinair journalist Jeroen Thijssen bezoekt deze zomer bijzondere buitenplaatsen, om er te proeven van wat het land hier brengt.

  • Alles glanst en flonkert binnen het pasgeopende brass.. (FOTO'S JEROEN THIJSSEN)
    Alles glanst en flonkert binnen het pasgeopende brass.. (FOTO'S JEROEN THIJSSEN)

Eigenlijk is de mooiste aankomst vanuit het oosten: fietsen over een hobbelige dijk, omzoomd met oude fruitbomen en doorkijkjes op weelderige landerijen. Dit is de Heerlijkheid Mariënwaerdt, nabij Beesd, en heerlijkheid is niets te veel gezegd. Een enkele auto verstoort het droomachtige gevoel hier in een ver verleden te fietsen, maar het motorgeraas versterft en dan zingen de vogels weer.

Negenhonderd hectare is dit landgoed groot, en al sinds 1734 in handen van de baronnen Van Verschuer. Eeuwenlang resideren hier de heren tussen hun boeren, en leven van pacht en persoonlijk aanzien. De moderne tijd maakt dat onmogelijk, agrarische opbrengsten leveren niet meer genoeg op. Daarom laten de Heren nu gewone mensen toe op het landgoed, die zich even van adel kunnen wanen. Zij komen voor het restaurant, het pannekoekenhuis en de landwinkel – dat wil zeggen, daarvoor komen wij. Ook zijn er nog prachtige dwaaltochten door de landerijen en het bos, en zijn er het jaar door talrijke evenementen, waarvan de landgoedfair in de herfst wel de bekendste is.

Bruine wegwijsbordjes wijzen de weg naar Brasserie Marie, naar pannekoekenrestaurant Stapelbakker en de Landwinkel. Daar moeten we zijn, daar is het eten – Landgoed Mariënwaerdt heeft een reputatie op te houden op het gebied van voedsel.

De schaduwen lengen, de hitte van de zomerdag neemt af. Drie blauwe reigers waden door een pas gemaakt weiland, kikkers kwaken in een sloot. Weer racet een auto ons haast van de dijk af, jammer dat de weg niet autoluw is gemaakt.

Na een kwartiertje duikt links een enorm, haast kazerneachtig gebouw op. Brede gazons strekken zich voor de gevels uit. ’Het Klooster’ wijst een bruin bordje. Een korte rondwandeling leidt langs boerderijen, met riet of dakpannen gedekt, maar Het Klooster laat zich niet benaderen; overal hangen bordjes met ’eigen weg, geen toegang’. Dit moet de residentie van de familie zijn. Prachtig gelegen, naast een koel bos, maar hier moeten we niet zijn: hier is niets te eten.

Op het kruispunt bij Het Klooster wijzen andere bordjes naar Stapelbakker en de Landwinkel. De weg loopt verder, door een houten poort die kloosterdomein van commerciële zaken scheidt: recht vooruit verrijst een drietal gebouwen, die met wuivende wimpels onze aandacht trekken. ’Landgoedwinkel Mariënwaerdt’ staat op een hoge schuur. Een haag van bloeiende hortensia’s begeleidt de hongerige zoeker naar binnen. Daar wacht wat inderdaad een plekje in de hemel zou kunnen zijn. Onder het hoge dak, gesteund door zware houten balken, wachten stellingen vol eten. Potjes met wit papieren deksels, voornamelijk, al wacht in de hoek ook een veelbelovende koeling met kaas.

„Alles is biologisch”, zegt de mevrouw achter de kassa, „en op het landgoed gemaakt.” Ze wijst op een platte koek met amandelen. „Die heeft de oude mevrouw vanmorgen nog gebracht”, zegt ze. „Tachtig jaar en ze heeft ze nog zelf gemaakt. Volgens eigen recept.” Trots klinkt door in haar stem. Zo’n taartje moet dan maar mee, eens zien of we het geheime recept kunnen achterhalen.

Natuurlijk staat er niet alleen maar eten in deze landgoedwinkel, er zijn ook tuinartikelen, hebbedingetjes en er is wijn. Achterin is nog een afdeling buitenlandse etenswaren, met balsamicoazijnen en dergelijke, maar het huisgemaakte springt toch wel het meest in het oog. Chutneys, jammen, sauzen en sappen staan in een groot schap rechts, een kleurige wand, een feest voor het oog. Onverwachte varianten staan hier, maar ook gewonere dingen als uiencompote, tomatenchutney en mintsaus. Het aantal soorten loopt al gauw in de vijftig, en dan zwijgen wij nog van de sappen. Hoeveel kan een mens daarvan meenemen? Onze keuze beperkt zich tot een drietal smeersels en een fles appel-vlierbessensap.

Ook bij de kaas is het aanbod groot, vooral in de gekruide varianten. Dat is bijna altijd jammer van de kaas, maar hier krijgt een versie de kans zich te bewijzen. Rucola Pijnpit, belegen, gaat mee, en de naturel belegen. Verderop wenkt nog een diepvrieskist met biologisch vlees, maar de zon brandt als een koperen ploert en een koelkast hebben wij niet op de fiets.

Nu knort de maag. Het pannekoekenhuis trekt, pal naast de Landgoedwinkel, met zijn beschaduwde terrassen maar Brasserie Marie, net geopend in maart, trekt nog wat meer. Echt eten verdient onze klandizie.

Aan het interieur van Marie is de nieuwigheid nog af te zien, alles glanst en flonkert. Onder het houtwerk van de kap is een balkon gemaakt, ontsloten door een prachtig versierde, gietijzeren trap. Beneden zijn de tafels donker gedekt, een tafel met cognac verwelkomt de gasten. Het tweegangenmenu, met onder meer kervelbouillon en entrecote trekt, maar op de kaart staat ook ribeye van het Duroc-varken, en dat klinkt toch wel heel bijzonder. Dit rode varken kennen wij wel, maar waar zit zijn ribeye? De ober gaat het vragen.

„In de nek”, zegt hij bij terugkeer. Ach, procureur noemt de gewone slager dat. Die willen wij wel eens even proberen.

Met het varken is niks mis. Het stuk nek is rosé gebakken, gewaagd voor dit type vlees, maar het kan het hebben: veel smaak, lekker stevig. Het sausje komt zo te proeven uit een pakje, maar wel een lekker pakje. Ook de begeleidende komkommersalade is lekker, maar waarom zit er friet bij? Als je een origineel ingrediënt serveert, met een sausje dat om soppen schreeuwt, waarom dan niet een bakje brood erbij? Kan de Nederlander in een restaurant niet zonder zijn patat? Achttien euro kost het bord, toch wat aan de prijs voor alleen een speciaal varken.

Met gevulde fietstassen komen wij weg, en rusten op een bankje om eerst te proeven. Het geheim van de walnotentaart zijn de walnoten, in overvloedige hoeveelheden in de buik gestopt – heerlijk. De kruidenkaas bewijst weer, dat kruiden de kaas niet per se lekkerder maken. De naturel belegen is smeuïg en geurig, bij zijn gekruide broertje valt de kaas een beetje weg.

Over de tomatenchutney, de bergamot-marmelade en kweeëngelei daarentegen niets dan goeds: kruidig, geurig en net niet te zoet. De bergamot-marmelade, met zijn bittere geurigheid, is heel apart.

Zo voelen wij ons geen adel, maar de koning te rijk.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />