*

 

Schapen en hei

Cees Straus − 02/10/09, 00:00

De Haagse School-schilder Anton Mauve verwierf internationale roem met zijn schaapkuddes. Twee musea blikken terug op een van Nederlands grootste impressionisten.

  • Anton Mauve: 'De terugkeer van de kudde, Laren', olieverf op doek, 1886-'87. Coll. Philadelphia Museum of Art. (Trouw)

De opening van de dubbelpresentatie van de Haagse School-schilder Anton Mauve in het Singer werd geheel in stijl opgeluisterd met de aanwezigheid van een kudde knuffelige schapen die voor het Larense museum bijeen waren gedreven. „Zijn dat nu ’sheep going’ of kijken we naar ’sheep coming’”, vroeg een omstander zich af . Binnen, op de expositie, werd het antwoord op die vraag gegeven in de vorm van vele werken van de vermaarde schapenschilder die aan het einde van de 19de eeuw zo veelvuldig op de Gooise heide heeft rondgetrokken. Bij een voorstelling van een kudde die van de kijker wegloopt, spreek je van ’ sheep going’, maar worden de beesten naar huis gestuurd, dan gaat het om ’sheep coming’. In dit geval kwamen de schapen daar terecht waar ze vanouds thuishoren: in het museum, aan stemmig grijs geschilderde wanden waar de olieverven en aquarellen onder daglichtcondities het echte Haagse School-effect krijgen.

Anton Mauve (1838-1888) heeft met zijn schaapskuddes internationale roem gekregen. Die waardering heeft de belangstelling voor al die andere onderwerpen die hij minstens even mooi heeft geschilderd, volledig overschaduwd. Nu het tijd is na ruim een halve eeuw weer eens op het oeuvre van een van Nederlands grootste impressionisten terug te blikken, begrepen de twee musea die zich aan een presentatie hebben gewijd, dat ze een meer dan volledig beeld van zijn kunnen moesten geven. Laren lag voor de hand om de laatste periode in Mauve’s leven te belichten, hij heeft daar zes jaar doorgebracht. Hij trok er een trits van navolgers, net zoals Monet in Giverny en Gauguin in Pont-Aven lang na hun dood nog werden geïmiteerd. De meeste schilders die in Laren bleven, worden gerekend tot de Larense School. Dat geldt ook voor hen, die geen les van de meester kregen maar wel graag in zijn stijl doorgingen. Daar zaten getalenteerde schilders bij die tot petits-maitres uitgroeiden, onder wie Johan Scherrewitz en Willem Steelink. Uit de Verenigde Staten kwam William Singer, die met zijn vrouw Anna de basis legde voor een prachtige kunstcollectie in het gelijknamige museum waar nu Mauve is te zien.

Mauve was al voor zijn verhuizing naar het Gooi een bekend schilder. De basis voor zijn faam heeft hij aanvankelijk in Haarlem gelegd, om in 1858 naar Oosterbeek te vertrekken, waarna hij zich in 1871 in Den Haag zou vestigen. In de residentie werd duidelijk wat voor invloed hij zou hebben op met name de jongere generatie. Een van zijn leerlingen was daar Vincent van Gogh. De schilderlessen vielen bij de domineeszoon uit Zundert in zulke goede aarde dat Teylers Museum er een aparte zaal aan kan wijden. Wat in het Van Gogh Museum in Amsterdam vrijwel nooit is te zien (hoewel het museum toch graag tijdgenoten van Vincent brengt, maar die hebben net als nu met Alfred Stevens weinig van doen met hem), is de enorme uitstraling van Mauve op Van Gogh. Vooral als het gaat om hun beider belangstelling voor de boerenbevolking. Vincent had, zoals bekend, grote compassie met eenvoudige landslieden, maar Mauve deed nauwelijks voor hem onder. Alleen, Mauve schilderde zijn boereninterieurs, de boerinnen in de tuin rond de boerderij en de aardappeloogsters op de akkers net even wat intiemer. Vergeleken bij Mauve ligt de compassie bij Van Gogh er heel dik bovenop. Vergelijk zijn ’ Aardappeleters’ maar eens met de interieurs van Mauve die nog een aangeboren terughoudendheid in het etaleren van armoede kende.

Bij Van Gogh blijft zijn passie voor eenvoudige mensen beperkt tot zijn ’Hollandse’ periode, de tijd dat hij in Brabant, Den Haag (Scheveningen) en Drenthe werkte. Eenmaal weg uit Nederland krijgt zijn werk een onmiskenbaar Frans accent. Hij verliest dan ook de belangstelling voor het typische Haagse zilveren licht dat alleen kan bestaan bij gratie van een lucht met loodgrijze wolken. Mauve schildert dat licht in nagenoeg elk doek en ook zijn aquarellen hebben vaak iets ’waterigs’. De ’Haagse’ Mauve kwam graag op het strand. Hij gebruikte het als decor voor ruiters, voor ezeltjes die kinderen langs een vast parcours door het zand droegen of bomschuiten die hun vangst op het droge afzetten. Van Gogh moet dit zo’n aardig motief hebben gevonden dat hij er in Zuid-Frankrijk nog eens op terug kwam. De spitse boten op het strand van Saintes-Marie-de-la-Mer uit 1888 zijn een late echo van zijn bewondering voor de ’Haagse’ Mauve.

Had Scheveningen toen al een haven gehad, dan was Mauve ongetwijfeld op de kade getuige geweest van het binnenlopen van de vloot. Misschien had hij dan ook wat van de topografie van de stad laten zien. Want dat is iets dat bij Mauve opvallend afwezig is; zelden herken je de omgeving waar hij zich bevindt. Het weer is onveranderlijk grijs, soms ligt er een door de sneeuw getrokken karrenspoor en het blad aan de bomen is eerder herfstbruin dan lentegroen. Over de gebouwde omgeving doet hij nauwelijks een uitspraak, of het moet de wat mistige rafelrand van de oprukkende stad zijn.

Dat Mauve anders dan Van Gogh afkerig was van wat destijds al de ’moderne tijd’ werd genoemd, bewijst het feit dat hij graag op plekken kwam die nog niet door de vooruitgang waren beroerd. Oosterbeek was een opkomende schilderskolonie toen Mauve er in 1858 de voorman van de Oosterbeekse schildersschool Gerard Bilders ontmoette. Zijn zoektocht naar het ongerepte land mag dan in Den Haag en Scheveningen even een onderbreking hebben gekend, eenmaal in Laren kon hij weer van het buiten-schilderen genieten. Dat buiten-schilderen moet niet letterlijk worden genomen. De olieverven zijn hoogst waarschijnlijk in het atelier ontstaan.

Het is ook de vraag of de vele schaapskudden die gaandeweg heel monotoon worden, ooit als zodanig hebben bestaan. Aangezet door de vraag heeft Mauve er echt maakwerk van gemaakt. Obligaat of niet, de prijzen van Mauves werk stegen soms tot recordhoogte. Nog in 1906 werd ’De terugkeer van de kudde’ in New York voor 42.250 dollar geveild, twee keer zo veel als voor een vrouwenportret van Rembrandt. Gelukkig legt het Singer niet uitsluitend de nadruk op dit minder geslaagde deel van het oeuvre, de keuze is nu verrassend veelzijdig.

Van Gogh heeft Mauve twee jaar overleefd, maar in zijn schildersloopbaan heeft hij zich geen moment overgegeven aan de confectie. Beschouw je Van Gogh als een voorloper van het moderne schilderen, dan neemt Mauve een sleutelpositie in, een brug tussen het landschapsschilderen in de 17de en dat van de vroege 20ste eeuw.

mailIcon print |