De vertrouwensscores uit peilingen zeggen weinig over het kabinet en veel over de economische toestand.
Hebben de Nederlanders nog wel vertrouwen in de regering? Over enkele dagen barst het spektakel rond Prinsjesdag en de Algemene Beschouwingen weer los, en naar aanleiding daarvan zullen opiniepeilers zeker opnieuw deze vraag stellen aan ’het volk’. En als veel mensen antwoorden ’geen vertrouwen’ te hebben in deze regering, kan Balkenende zijn borst nat maken. Vorig jaar sloeg de oppositie bij de Algemene Beschouwingen de premier om de oren met de lage vertrouwensscores van zijn ploeg. ’U spreekt vertrouwen uit in de samenleving, maar de samenleving zegt: wij vertrouwen ú niet’, zei Femke Halsema.
Tja, wat moet je als regering daarop zeggen? Meestal komt Balkenende dan met nietszeggende antwoorden als ’beter uitleggen’, ’gewoon ons werk doen’, et cetera. Wat kan hij ook anders?
Het punt is dat volstrekt onduidelijk blijft waarom het vertrouwen in de regering zo laag is. Dat vragen opinieonderzoekers bijna nooit, en die enkele keer dat ze het wél doen, vinden de media het niet de moeite waard de antwoorden door te geven. Dus hoe kan Balkenende weten wat hij anders moet doen? Het is als een leraar die je onvoldoendes geeft zonder te zeggen welke vragen je fout had. Heel irritant. Het gerucht is dan ook dat Balkenende de schurft heeft aan dit soort vertrouwenscijfers.
Het lijkt dus een raadsel wat de vraag naar ’vertrouwen in de regering’ eigenlijk meet. Ik vind dat onbevredigend. Daarom heeft dit voorjaar onderzoeksbureau Veldkamp voor mij een enquête gedaan onder een representatieve steekproef van 800 Nederlanders. Daarin werd de respondenten niet alleen gevraagd of zij wel of geen vertrouwen hebben in de regering, maar ook wat de reden was voor hun (gebrek aan) vertrouwen. Er kwam een brede waaier van motieven uit, variërend van ’ze doen hun best’ tot ’ze luisteren niet’.
Er valt weinig lijn in te ontdekken. Bij de één heeft het te maken met integriteit en eerlijkheid, bij de ander met competentie en daadkracht, voor een derde is het meer ’een kwestie van gevoel’. Terwijl sommige respondenten goed op de hoogte lijken, hebben anderen geen benul. Eén van de antwoorden luidde: „Kok weet niet waar hij mee bezig is.”
Het is volstrekt onduidelijk wat de regering moet doen om het vertrouwen te vergroten. Maar de zaak wordt nog problematischer. De respondenten werd ook gevraagd aan wie ze eigenlijk denken bij het begrip ’de regering’. Ze mochten kiezen uit een reeks van mogelijke kandidaten, variërend van ’de ministers’ tot ’de overheid’. Het resultaat geeft ernstig te denken. Slechts een derde van de respondenten gaf het juiste antwoord.
Anders gezegd: tweederde van de Nederlanders weet niet precies – of zelfs helemaal niet – wat de regering eigenlijk voor ding is. Bijna de helft denkt dat de Tweede Kamer er ook bij hoort, en ongeveer een vijfde beschouwt zelfs alle politici als ’de regering’. Voor een flink deel van de Nederlanders is ’de regering’ dus een amorf begrip; het is allemaal ’Den Haag’. (Interessant was overigens dat bij de mensen die wél correct identificeerden wie ’de regering’ is, het vertrouwen in de regering significant hoger lag dan onder degenen die dat niet wisten.)
Als dit allemaal zo is, wat betekenen dan eigenlijk de percentages die rollen uit de vraag naar het ’vertrouwen in de regering’? Van welke mentale realiteit vormen zij een weerspiegeling? Ook in de wetenschap is er niemand die het precies weet. Veel onderzoekers denken dat de vraag vooral een algemeen gevoel meet over hoe het land ervoor staat, in het bijzonder op economisch gebied. Gaat het slecht met de economie, dan dalen de vertrouwenscijfers. Trekt de conjunctuur aan, dan gaan ze weer omhoog. Zoals bekend, heeft de Nederlandse regering maar weinig invloed op de conjuncturele bewegingen.
Stel dat opiniepeilers zouden ophouden steeds te vragen naar ’het vertrouwen in de regering’. Zouden we dan slechter af zijn? Ik denk het niet. Lage vertrouwenscijfers kunnen de regering makkelijk verleiden tot onbezonnen acties van daadkracht, en daar wordt het land meestal niet beter van. Omgekeerd, bij hoge cijfers kan de regering ten onrechte concluderen dat zij ’goed bezig’ is. Zelden werd zo’n hoog vertrouwen in de regering gemeten als in het jaar voorafgaand aan de Fortuyn-revolte. Omdat de economie zo goed draaide, waren de vertrouwenscijfers hoog, en dus lieten velen zich in slaap sussen.
Wat schieten we dan eigenlijk op met zulke cijfers? Is het niet misleidende informatie die meer kwaad doet dan goed? Ik maak me geen illusies, opinieonderzoekers zullen de vraag zeker blijven stellen.
Dus premier Balkenende, wat te doen als de oppositie u de komende week opnieuw aanvalt op lage vertrouwensscores voor uw regering? Wijs er dan eens fijntjes op dat voor veel Nederlanders de oppositie net zo hard onderdeel uitmaakt van ’de regering’. Maar aan de andere kant: als straks de vertrouwenscijfers weer gaan stijgen, ga dan niet lopen opscheppen. Het betekent waarschijnlijk alleen maar dat mensen zien dat de economie weer aantrekt. Dat is mooi, maar heeft weinig te maken met uw woorden en daden.
Will Tiemeijer promoveerde in 2006 op het proefschrift ’Het geheim van de burger: over staat en opinieonderzoek’.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.