Geen blauwdruk voor een nieuw stelsel van hoger onderwijs graag, zeggen universiteiten en hogescholen. Maar ze zijn het met minister Plasterk eens: het hoger onderwijs barst uit zijn voegen.
’Het is geen revolutie, het past in een evolutie die al gaande is.” Dat zegt voorzitter Sijbolt Noorda van de vereniging van universiteiten VSNU over de rede die minister Plasterk deze week hield bij de opening van het academisch jaar. „Wat Plasterk bepleit, daar zijn wij al mee bezig. Maar hij zegt terecht: laten we bezien of we die ontwikkeling extra kunnen aanzetten.”
Het hoger onderwijs barst uit zijn voegen, zei minister Plasterk in zijn toespraak, en daarom wil hij een ’brede discussie’ op gang brengen over een ander stelsel. Hogescholen en universiteiten zijn de afgelopen tijd enorm gegroeid, zo betoogde hij, en de verschillen tussen de studenten die zij trekken zijn veel groter geworden. Maar al die studenten hebben nog steeds de keus uit maar twee soorten opleidingen: hoger beroeps- of wetenschappelijk onderwijs. Die keus is te beperkt, vindt Plasterk. „Niet alle studenten kunnen daardoor het uiterste uit zichzelf halen.”
Wat is er in het hoger onderwijs aan de hand? Welk probleem wil de minister precies oplossen? Dat valt met een aantal cijfers goed in beeld te brengen. Aan alle hogescholen en universiteiten samen studeren tegenwoordig zo’n 585.000 studenten. Ging in 1950 van alle jongeren slechts 5 procent naar het hoger onderwijs, nu maakt maar liefst 47 procent die keus.
Met name in het hbo is die groei gepaard gegaan met een toenemende diversiteit. Vanouds waren het vooral jongeren met een havo-diploma die kozen voor een hbo-opleiding, met daarnaast een flinke groep vwo’ers. Maar de afgelopen jaren is ook het aantal oud-mbo’ers onder de hbo-studenten gegroeid. Nu is een derde van alle eerstejaars hbo-studenten afkomstig uit het mbo, tien jaar geleden was dat ongeveer een kwart.
Deels is dat het gevolg van doelbewust beleid: de overheid streeft ernaar het aantal hoger opgeleiden te vergroten, en dat kan alleen als niet alleen havisten en vwo’ers, maar ook mbo’ers doorstromen naar het hoger onderwijs. Maar de hogescholen hebben moeite om deze nieuwe groep studenten aan een diploma te helpen. Ruim 20 procent van de mbo’ers houdt het al na één jaar voor gezien op de hogeschool.
Tegelijkertijd is de studentenbevolking van hogescholen ook in een ander opzicht van aanzien veranderd: in ruim tien jaar tijd is het aantal allochtonen in het hbo meer dan verdrievoudigd. Ook deze nieuwe groep studenten doet het gemiddeld minder goed dan andere hbo’ers.
„Onze studenten worden steeds heterogener, het hoger onderwijs is nog te homogeen gebleven”, zo vat voorzitter Doekle Terpstra van de HBO-raad de situatie samen. „Daardoor ontstaat druk op de kwaliteit; die neigt naar het gemiddelde.”
Aan de universiteiten lopen de verschillen tussen de studenten minder in het oog, maar ook daar is de heterogeniteit toegenomen, zegt Sijbolt Noorda van de VSNU. „Ik geef wekelijks een honours college (college voor de betere studenten, red.). De studenten daar zijn heel belezen, heel geïnteresseerd. Maar er is ook een grote groep studenten die bijvoorbeeld minder bedreven is in taal. En dat zijn niet alleen allochtonen, maar ook jongeren met een andere achtergrond dan we gewend zijn: jongeren die vooral gewend zijn zich digitaal te uiten en die niet het vermogen hebben lange lappen tekst te analyseren.”
De universiteiten slagen er niet in maatwerk te bieden aan hun studenten, zegt Noorda. „Wil je advocaat worden, bijvoorbeeld, dan moet je de taal beheersen, maar er zijn studenten genoeg die ondanks een vwo-diploma de vereiste taalvaardigheid missen. Daar moeten we op inspelen. Want nu vallen die studenten bij bosjes uit.”
Deze trends doen zich al een aantal jaren voor, en universiteiten en hogescholen zijn dan ook al langer bezig erop in te spelen. Sommige universiteiten (Utrecht, Maastricht, sinds deze maand ook de twee Amsterdamse universiteiten) hebben bijvoorbeeld university colleges opgezet, driejarige opleidingen waar de meest ambitieuze studenten een intensief programma voorgeschoteld krijgen.
Zo zijn er meer voorbeelden van opleidingen die inspelen op de heterogeniteit onder hun studenten. honours colleges zoals Noorda die geeft, bestaan tegenwoordig aan bijna alle universiteiten. De rechtenfaculteit in Utrecht besloot een paar jaar geleden zelfs om haar studenten in drie afzonderlijke groepen te verdelen: de ambitieuzen, de ’gewonen’ en degenen die nauwelijks studiepunten halen.
De opvallendste vernieuwing in het hbo is de associate degree. Dat is een nieuwe, tweejarige opleiding die bedoeld is voor jongeren uit het mbo en mensen die al een paar jaar een baan hebben. Voor hen is een volledige vierjarige hbo-opleiding soms te hoog gegrepen. Dankzij de AD-opleiding kunnen zij toch voldoen aan hun behoefte aan scholing op een hoger niveau.
Hogescholen en universiteiten beschouwen het pleidooi van Plasterk als een steun in de rug voor zulke initiatieven. „Maar laten we er vooral geen stelseldebat van maken”, zegt Terpstra. „Want dan weet ik al precies wat er gebeurt: dan stokt het debat al snel.”
Daarmee verwijst de voorzitter van de HBO-raad naar een discussie van een aantal jaren geleden: moest het onderscheid tussen hogeschool en universiteit niet verdwijnen? Ja, vonden veel hogescholen, want wat wij doen, lijkt steeds meer op wat universiteiten doen. Nee, vonden de universiteiten, want academisch onderwijs en onderzoek is echt iets anders dan hbo. En daar liep het debat meteen al dood.
„Laten we geen oude paarden van stal halen”, zegt Terpstra. Volgens hem heeft het zogeheten binaire stelsel (met een scherpe scheiding tussen hbo en universiteit) zichzelf overleefd.
Aan de universiteit draait het niet meer alleen om wetenschap en hbo-studenten hebben naast beroepsgerichte vakken ook steeds meer onderzoeksvaardigheden nodig.
Terpstra: „Het stelsel is aan het eroderen. Over tien jaar bestaat het niet meer, de overgangen zullen vloeiend zijn. Maar discussie over dat binaire stelsel is volstrekt irrelevant. We moeten geen nieuwe blauwdruk maken, we moeten flexibel inspelen op de diverse instroom. Het stelsel is een afgeleide.”
De universiteiten leggen het accent net iets anders. Minister Plasterk verwees in zijn rede ’ter illustratie’ naar het hoger onderwijs in Californië, waar grofweg vier soorten opleidingen bestaan. „Wij hebben al vier varianten: associate degree, university college, hogeschool en universiteit”, zegt Noorda van de VSNU, die zelf eerder al eens aandacht had gevraagd voor het Californische model. „Dat vierstromenland past goed binnen de bestaande twee stromen.”
Over het uitgangspunt in de discussie die Plasterk nu op gang heeft gebracht, zijn universiteiten en hogescholen het volledig eens: meer variëteit is noodzakelijk. Terpstra: „We hebben meer dan twee smaken hoger onderwijs nodig.” Noorda: „We moeten niet iedereen hetzelfde pad laten lopen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.