Culinair journalist Jeroen Thijssen bezoekt deze zomer bijzondere buitenplaatsen, om er te proeven wat het land hier brengt. Vandaag: De Olmenhorst in Lisserbroek.
De eerste kieviten verzamelen al in de weiden rond Lisse, klaar voor de terugtocht naar Afrika. Hoog waaien de wolken voorbij, de einder is ver als in de mooiste Kameleonfilms en ik vraag mij, al fietsend, af: wat is eigenlijk een landgoed? Natuurlijk is er Van Dale’s definitie, die rept van uitgestrekte landerijen, maar de term wekt toch verwachtingen van statige lanen, lusttuinen met prieeltjes en edele huizen. De Olmenhorst ligt in Lisserbroek, midden in de Haarlemmermeerpolder. Statige lanen, edele huizen in een drooglegging?
Maar het begint goed. Al bij het wegdraaien van de Lisserweg begint een bomenlaan met aan het eind een grote boerderij, gebouwd in 1894. Links rijst een nutteloos torentje op uit een bloementuin en rechts een groot, groen, houten huis uit de oude zeeklei. Als dit geen landgoed is, weet ik het niet meer. Het huis zou zo in Zaandam kunnen staan, en dat is geen wonder: de stichters van De Olmenhorst hebben zich laten inspireren door de Zaanse bouw. In 1854 koopt de Amsterdamse koopman De Clercq een lap grond in de dan net drooggevallen polder, en zijn nazaten zitten nog steeds in het bedrijf. De vijfde generatie inmiddels, maar de boerderij is niet alleen maar boerderij meer. Natuurlijk, er liggen hectaren boomgaard rond de centrale bebouwing, vooral appel- en perenbomen, maar De Olmenhorst is veel meer geworden dan een simpele fruitboerderij.
Het pad loopt onder de bomen door, bij de oude boerderij naar links. De oprijlaan neemt een bocht naar links, voor de grote boerderij langs. Daar strekken boomgaarden tot aan de horizon, de eerste appelen blozen al tussen het groen. Biologische appels, want de Olmenhof teelt al bijna tien jaar volgens het Eko-keur. De biodiversiteit, meldt een bordje trots, is dan ook enorm toegenomen. Alleen de perenteelt is nog regulier, omdat peren veel last hebben van schurft en luis, wat biologische teelt moeilijk maakt.
Verder gaat het pad, langs een schuur in opbouw die, opnieuw volgens een bordje, De Zwarte Schuur zal heten, naar de schuur die hier eerder stond. Dan zwenkt de fiets weer naar links, achter het bordje ’Landwinkel’ aan en ’AppelcafĂ©’. Vooral dat laatste trekt, de zon staat inmiddels hoog aan de hemel.
In schuren links en rechts zijn kleine bedrijfjes ondergebracht: een ambachtelijke meubelmakerij, en een zijde-atelier. Links in een lage schuur zit architectenbureau Faro, met een ophaalbrug als voordeur.
Overal bloeien de stokrozen en de scharnierbloemen, de biodiversiteit zingt in de bomen dat het een lieve lust is. Dan rijst, na een vijftal bochten, een nog groter pand uit de perenbomen. Dit is het ware hart van De Olmenhorst. Mooi is het niet en imposant eigenlijk ook niet, maar wel erg belangrijk. Hier zit kaasmakerij Van Dorp, en Het Appelcafé en de Landwinkel, die tot in de verre omtrek de enige biologische winkel is. Bij kaasmakerij Van Dorp staan de schone kuipen te drogen in de zon. Door de geopende deuren is de werkruimte te zien, achter doorzichtige plastic lappen. Daar lekken kaasjes in bakjes met gaten, maar mensen zijn er niet te zien, ik kan niet binnen. De kaasjes zullen ze toch wel in de Landwinkel verkopen?
Een hoek verder zit een pleintje tussen lage schuren; tafeltjes en stoelen bevlekken de stenen. In de schuren zelf zitten weer bedrijfjes, een atelier annex galerie, een kunstenaar die geofictieve kaarten maakt, maar de stoelen zijn van het AppelcafĂ©. Een jongedame komt mijn wensen noteren. De appelkruimeltaart, op het bordje aangekondigd als dagspecialiteit, blijkt de specialiteit van gisteren te zijn. Wel kan ik allerhande broodjes krijgen, en soep, maar mijn belangstelling gaat uit naar de notencake en koffie – het is te vroeg voor broodjes. Op het terras nemen fietsers plaats, die de stevige wind even ontvluchten.
Voor gezelschappen is er gelegenheid tot picknicken: een mand vol eten meenemen het perenbos in en dan eten tussen de stammen. Helaas is dat voor minimaal vier mensen, en met zoveel ben ik niet. Met heerlijke cake en koffie wijd ik me aan het uitzicht: de ingang van de landwinkel.
Dan slaat het uur, koffie en cake zijn op. Ik ga naar binnen. Groot is het daar, en hoog, en bijna helemaal gevuld, maar niet alleen met voedsel. Rechts achterin staan kasten met servies en vazen, hebbedingetjes waar een culinair journalist niets aan heeft. Gelukkig is er ook veel eten. Meteen rechts staan twee open koelvitrines vol meest biologische producten van buiten het landgoed. Daarnaast ligt de groente in een stapelkast, ook biologisch, maar ook niet van De Olmenhorst. Dat begint met kisten vol appels en peren, van eigen boom. Heerlijk fruit, er staan schaaltjes bij met stukjes, om te proeven. En er staan flessen bier, niet van het landgoed zelf maar wel uit de omgeving – die mogen ook. Waar is nu de kaas van eigen erf? Het meisje achter de kassa wijst op een sierlijke koelvitrine, waar potjes kaas staan. Dat is het lokale zuivel, op olie gezet met kruiden. Verder is er nog koffie met het Olmenhorst label, uit Peru en Bolivia, zowel biologisch als fair trade, en Griekse olijfolie.
Koffie kan ik niet zetten, in de trein terug, en bier drinken doe ik niet in het openbaar, maar het kaaspotje is al snel open. Heerlijk, zacht en niet zout, de geitenkaassmaak stevig gesteund door de kruiden. Ook het fruit is van een rijpe zoetheid die je bij de gewone middenstander zelden vindt.
Als ik thuiskom is het toevallig net tijd voor koffie. Sterk geurende koffie van Olmenhorst, haast chocolade en prettig sterk te zetten zonder bitter te zijn. Dat is het bier wel, het tulpenbier, en ook zoetig, maar het vult de mond te weinig om echt lekker te zijn. Nee, dan het Bollenstreek Ale, strikt genomen niet uit de polder, maar alla. Dat is een vorstelijk bier, dat ook nog eens heel goed met de geitenkaas smaakt. En dat van oude zeeklei, wie had dat gedacht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.