*

 

Hoe God verdween uit Avabück

Henk van der Liet − 11/07/09, 00:00

Zijn preken wisten vroeger menigeen te inspireren. Maar als de bejaarde, inmiddels atheïstische Zweedse dominee uit ’Norrlandse aquavit’ terugkeert naar zijn vroegere gemeente, kent niemand hem meer. Hoewel: was hij niet degene die er het tandenpoetsen invoerde?

  • Het Noord-Zweedse dorp is langzaam ontvolkt geraakt. Gelovigen zijn er amper meer. (Trouw)
    Het Noord-Zweedse dorp is langzaam ontvolkt geraakt. Gelovigen zijn er amper meer. (Trouw)

In ’Norrlandse aquavit’ van de Zweedse schrijver Torgny Lindgren (1938), keert de evangelist Olof Helmersson na bijna vijftig jaar terug naar zijn gemeente in de provincie Vüsterbotten, in het uiterst dunbevolkt noorden van Zweden. In zijn jonge jaren was Helmersson een charismatisch prediker die een grote schare volgelingen had weten te bekeren. Maar nu, inmiddels ruim de tachtig gepasseerd en zelf van zijn geloof gevallen, is hij vast van plan om zijn eigen zendingswerk ongedaan te maken.

De tijd heeft echter niet stilgestaan en van alle bekeerlingen treft Helmersson nagenoeg niemand meer aan. De jeugd is weggetrokken, dorpen zijn ontvolkt en de uitverkorenen zijn op minder dan de vingers van één hand te tellen. Enkel een stokoud besje dat op sterven ligt en een jonge vrouw die zijn dochter blijkt te zijn, zijn nog over.

Voor Helmersson, die op zijn vouwfietsje de hele provincie doorkruist, is het een soort afscheidstournee waarin hij ook de balans van zijn eigen leven opmaakt. En het resultaat is niet om over naar huis te schrijven, want het meest concrete overblijfsel van zijn noeste zendingswerk rond het gehucht Avabück, is dat men hem herinnert als de persoon die er het tandenpoetsen heeft ingevoerd. Want, zoals Helmersson droogjes constateert, „Wanneer je preekt kun je geen klapperend kunstgebit hebben.”

Torgny Lindgren stamt zelf uit Vüsterbotten, waar veel van zijn boeken zich afspelen, zo ook ’Norrlandse aquavit’. En ook de ervaring van de religieuze opwekking en bekering raakt aan Lindgrens eigen leven, omdat hij zich in de jaren tachtig zelf bekeerde tot het katholicisme. Maar een autobiografie is Norrlandse aquavit niet. Op de titelpagina staat geen genre vermeld en het boek houdt het midden tussen roman, memoire en documentaire. Lindgren voegt soms foto’s en andere illustraties aan zijn tekst toe, waardoor het spel tussen feit en fictie nog interessanter wordt. Iets dat nog versterkt wordt door een quasihistorisch feuilleton over de escapades van de kleurrijke Zweedse koning Karel XV in Vüsterbotten, dat naast het hoofdverhaal wordt verteld.

Net als in Geert Maks ’Hoe God verdween uit Jorwerd’, vertelt Torgny Lindgren aan de hand van zijn eigen levensverhaal hoe in de afgelopen vijftig jaar het leven op het platteland radicaal veranderde. In Zweden werd het in het noorden steeds leger en stiller en bij Lindgren levert dat vooral wat weemoedige en bij vlagen ook tragikomische situaties op. Zoals wanneer Helmersson een vrouw die in de thuishulp werkt hoort zeggen dat er gelukkig nog zoveel hulpbehoevenden zijn in het dorp, want ’de zieken en stervenden waren een zegen, zij vormden de economische basis van deze streek’.

De figuur van Olof Helmersson zou overigens zo uit Per Olov Enquists historisch-biografische roman ’De reis van de voorganger’ (2003) weggelopen kunnen zijn en er wordt in ’Norrlandse aquavit’ zelfs direct verwezen naar het boek van Enquist. Beide boeken gaan over charismatische leiders van religieus-sektarische bewegingen en ze hebben allebei de mentale reis, terug in het eigen verleden, als centraal thema.

Voor Lindgren is ’Norrlandse aquavit’ overigens noch een sentimental journey noch een radicale breuk met het verleden; met zijn droge humor en ironische distantie weet hij behendig beide uitersten te vermijden. Zoals blijkt als Helmersson een voormalige volgeling ontmoet, een boer die beweert dat hij dankzij een gebedsgenezing door Helmersson op zijn boerderij had kunnen blijven. Maar ook dit is een ’levenswerk’ met een zwart randje, want verder is bijna alles en iedereen vervallen, afgeschaft of weggetrokken, zelfs zijn eigen kinderen hebben hem in de steek gelaten.

Een enkele keer steekt bij Lindgren een zeker engagement de kop op. Als één van de weinige niet autochtone bewoners in het dorp, die na vele jaren nog steeds aangeduid wordt als ’de Stockholmer’, deze vorm van uitsluiting niet langer kan verdragen, wurgt hij in een woedeaanval zijn vrouw. Verontwaardiging over de toenemende intolerantie en xenofobie, de strijd tussen ’wij’ en ’zij’, wordt zo op groteske wijze verplaatst naar een gehucht dat zelf op uitsterven staat. Men gaat blijkbaar liever collectief ten onder, dan dat men voort bestaat in verscheidenheid; een wrange, maar zeer reële waarschuwing.

Al met al is ’Norrlandse aquavit’ een geestige en zeer onderhoudende, bitterzoete cocktail, een wat weemoedig afscheidssaluut aan een wereld die definitief tot het verleden behoort. ’Norrlandse aquavit’ zou wel eens het sluitstuk kunnen zijn in een oeuvre waarin met weinig woorden, maar veel ingetogen passie, het noorden van Zweden, in het bijzonder de provincie Vüsterbotten, wordt beschreven. Want zien we in het volgende terloopse fragment niet de schaduw van de auteur zelf langskomen? „Een oude schrijver die ooit vertrokken was, was teruggekeerd om in het tuinhuis van Alexander Boman enigszins bedroefd zijn laatste boek te schrijven vanuit de streek waar hij vandaan kwam, een gebied waarvan men hem vaak had beschuldigd het zelf te hebben verzonnen.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />