Sterrenkijken is leuk, vindt Emily Winterburn. Ze zou graag zien dat we vaker de hemel afzoeken. In haar boek heeft ze de achtergronden van sterrenbeelden. Maar ze laat iets te veel vragen open.
Voor de meesten onder ons hoort de sterrenhemel bij de vakantie. Door het jaar heen keuren we het nachtelijke zwerk nauwelijks een blik waardig. Te druk natuurlijk, maar doorgaans valt er hier door de vele wolken en lichtvervuiling ook niet veel te genieten.
Maar dan, op die camping in Frankrijk of op dat Griekse eiland, worden we ieder jaar weer getroffen door dat immense schouwspel van ontelbaar veel sterren (we denken vaak dat het er miljoenen zijn, maar in werkelijkheid tellen de noordelijke en zuidelijke hemel samen ’slechts’ 6.500 sterren die met het blote oog waarneembaar zijn). En gaan we op zoek naar bekende sterrenbeelden.
De meeste mensen weten de Grote Beer wel te vinden, hier beter bekend als het Steelpannetje. Zeven markante stippen, met als bijkomend voordeel dat de rand van het pannetje de weg wijst naar de Poolster, tevens de punt van de staart van de Kleine Beer. Sommigen kunnen dan nog Cassiopeia en Orion aanwijzen, maar daarmee is de sterrenkennis van de gemiddelde Nederlander wel uitgeput.
De oude Grieken hadden het een stuk eenvoudiger. Zij wierpen elke avond wel een blik op de rijke sterrenhemel, zodat de vergaarde kennis kans kreeg te beklijven. Bovendien kenden zij de verhalen. Grote Beer was eigenlijk Callisto, een bosnimf die ooit door de oppergod Zeus was verkracht. Zeus had haar vervolgens in een beer veranderd om haar te beschermen tegen de jaloezie van Hera, zijn echtgenote, en tegen de woede van Artemis, de godin van de jacht, tegenover wie de nimf een eed van kuisheid had afgelegd. Ook van haar zoon die uit de affaire was geboren, maakte Zeus een beer (de Kleine), om te voorkomen dat de jonge jager zijn moeder zou doden.
Het verhaal gaat nog verder. Hera was zo boos dat ze haar broer Poseidon, de god van de zee, vroeg om ervoor te zorgen dat de twee beren nooit in zijn onsterfelijke wateren zouden kunnen zwemmen. Poseidon gaf zijn zus haar zin waardoor de sterrenbeelden nooit onder de horizon zakken.
Voor de Grieken was dit meer dan een onderhoudend verhaal in tijden zonder modern amusement. Het was een zaak van levensbelang. De goden bestierden vanuit de hemel de gebeurtenissen op aarde en hun plannen waren aan de stand van de sterren af te lezen.
Maar het was ook van praktisch belang. De sterren vertelden de Grieken welke koers ze op zee moesten volgen. De Egyptenaren wisten dat als Sirius, de heldere ster in de Grote Hond, opkwam, de Nijl op het punt stond te overstromen. En aan de andere kant van de wereld vertrouwden de aboriginals op het sterrenbeeld Emoe, een combinatie van het Zuiderkruis en een deel van de Schorpioen, als ze wilden weten wanneer ze konden gaan zoeken naar de eieren van deze loopvogel.
Als het aan Emily Winterburn ligt, richten de mensen van nu weer vaker hun blik op de sterren en leren ze de bijbehorende verhalen uit hun hoofd. In ’Kijken naar de sterren’ loopt ze alle 88 officiĆ«le sterrenbeelden langs, vertelt ze over de geschiedenis van de sterrenkunde en staat ze stil bij de verschillen met andere culturen. (Wist u dat de ster Mizar in de Grote Beer eigenlijk een dubbelster is? Als je in de oudheid die tweede ster, Alcor, kon zien, bewees je dat je goede ogen had.)
Het resultaat is een wat merkwaardige mengelmoes. Winterburn, in het dagelijks leven curator van de Sterrenwacht van Greenwich, heeft geprobeerd orde in de chaos te scheppen door haar verhalen in te delen naar de maanden van het jaar –zodat elk hoofdstuk zijn eigen sterrenhemel heeft. Maar dat is niet helemaal gelukt. Deels door de diversiteit van de onderwerpen, maar ook doordat ze zo nu en dan uit de bocht vliegt door met een persoonlijke ontboezeming te komen (over de film ’The Beach’ waarin de hoofdrolspeelster haar telescopische camera met statief naar het strand heeft ’gezeuld’: „Dit slaat natuurlijk nergens op!”).
Toch is het een lezenswaardig geheel geworden. De vraag is wel of Winterburn is geslaagd in haar opzet en haar lezers ’s nachts naar buiten gaan. Ze zullen dan in elk geval een sterrengids mee moeten nemen. Want hoewel ze meestal wel beschrijft waar de sterrenbeelden te vinden zijn, zal dat de meesten zonder hemelkaart niet lukken.
Maar dan. Laten we aannemen dat iedereen het steelpannetje heeft gevonden. Hoe moet je daar nu een grote beer in zien? Zo logisch is dat niet. De Chinezen spreken van de Noordelijke Scheplepel, terwijl Burmezen vinden dat het een krab is. Zelfs als het sterrenbeeld zich in zijn volle glorie toont –onder ideale omstandigheden zijn zo’n 35 sterren met het blote oog zichtbaar– is de voorstelling nog niet dwingend.
Zagen de Grieken er een beer in omdat ze de mythe van Zeus en Callisto graag terugzagen tussen de sterren? Of zagen ze een grote en een kleine beer aan het firmament en inspireerde hen dat tot de mythe? De wetenschap weet het niet; er zijn geen bronnen die vertellen wat er eerst was. Maar Winterburn is stellig: „Het is algemeen aanvaard om te stellen dat een groot deel van de Griekse mythologie is voortgekomen uit de sterrenbeelden.”
Soms zal ze gelijk hebben. De Melkweg zou zijn ontstaan toen Hera ontdekte dat Zeus een onecht kind stiekem bij haar aan de borst had gelegd. Zij rukte het van zich af waarna de moedermelk vrijelijk wegvloeide. Zoiets verzin je niet, dat ’lees’ je in de sterren. Maar neem de mythe van Herakles. Als de sterren de bron zijn, waarom staan dan niet alle twaalf werken aan de hemel?
Winterburn laat de lezer net iets te vaak met dit soort vragen zitten. Daardoor komen haar sterrenbeelden niet tot leven. Dat is jammer, want ze heeft wel gelijk: sterrenkijken is leuk. We zouden het vaker moeten doen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.