*

 

De twijfel op mijn gezicht

Sylvain Ephimenco − 01/08/09, 00:00

Letter & Geest vraagt zijn auteurs deze zomer te schrijven over een foto die een veelzeggend moment illustreert in hun leven of denken. Dat kan een World Press-achtige foto zijn of een uit de privécollectie, een beeld van recente datum of juist uit een ver verleden. Vandaag, in de vierde aflevering: Sylvain Ephimenco over een kiekje uit 1960.

  • De auteur als vierjarige, met zijn vriendinnetje Laurence en een onbekende kerstman. Oran, Algerije,   1960.  (Trouw)
    De auteur als vierjarige, met zijn vriendinnetje Laurence en een onbekende kerstman. Oran, Algerije, 1960. (Trouw)
  • Sylvain Ephimenco in 2009, met op het kiekje hijzelf, een vriendinnetje en 'de nepkerstman' in 1960. (FOTO PATRICK POST)
    Sylvain Ephimenco in 2009, met op het kiekje hijzelf, een vriendinnetje en 'de nepkerstman' in 1960. (FOTO PATRICK POST)

De foto kwam op triviale wijze tot stand. Gedurende de hele maand december 1960 struinden een fotograaf en zijn vermomde compagnon de straten af, op zoek naar kinderen met gulle ouders. Hoeveel deze foto mijn vader heeft gekost is mij niet bekend. Maar voor mij is hij wel een beetje historisch.

Hier werd voor het eerst mijn ontmoeting met de mythische kerstman vastgelegd. En wat een deceptie was dat! Niets, maar dan ook helemaal niets mocht de rugmand van deze gierigaard verlaten. Mijn handjes en die van mijn vriendinnetje Laurence bleven onbegrijpelijk leeg. Een kerstman die niets weggeeft, behalve een foto op bestelling, is voor een jongetje van vier nogal verdacht. Op mijn ernstige gezicht valt de twijfel af te lezen over de ware identiteit van de man met de witte baard.

Wat dit kiekje tevens bijzonder maakt, is de symboliek. De kerstman staat hier, vanuit historisch en geografisch perspectief, niet op de juiste plaats. Dit was moslimgrond. Om precies te zijn: grond in Algerije – het land dat in 1830 door de Fransen bruut werd veroverd en gekoloniseerd.

Anno 1960 waren rijke kolonisten onder immigranten in de minderheid. Het gros, in totaal ongeveer een miljoen mensen, bezat weinig. Zij waren afstammelingen van arme sloebers uit Frankrijk, Spanje, Malta of elders, en zelfs van gedeporteerde opstandelingen uit de Parijse Commune.

De 9 miljoen moslimse Algerijnen waren nog armer en werden niet als volwaardige Fransen beschouwd. Zij hadden beperkte rechten en woonden vooral buiten de grote steden. Van die rare kerstman met zijn zware winterkleding begrepen ze weinig. Ze moesten in het algemeen ook niets van hem hebben.

Ik betwijfel of er tegenwoordig rond december nog een kerstman met zijn mand op de rug de straten van de Algerijnse steden durft af te lopen.

Historisch is de foto ook omdat hij werd genomen in een stad die door een vuile oorlog werd geteisterd. De Europeanen daar, bevreesd om de waarheid onder ogen te zien, noemden de oorlog die hen fataal zou worden ’evenementen’. De moslims zagen de bloedige strijd als een bevrijdingsoorlog. Terecht. Kort nadat deze foto werd genomen zou in de stad de avondklok worden ingesteld, om het aantal moorden, aanslagen en ontvoeringen aan beide zijden te beperken.

Maar deze stad, toen hij nog vrede kende, vormde ook het decor van de magistrale roman ’De pest’. Al in het begin van het boek zet auteur Albert Camus de stad neer als een aberratie. Hij zag in deze metropool aan de Algerijnse kust een foute entiteit die zijn rug naar de Middellandse Zee had gekeerd. De inwoners waren hun goklust nooit meester geweest. En het moet gezegd: op tafels en in cafés rolden nog steeds permanent de dobbelstenen, vormden de domino’s lange slierten en gleden de speelkaarten in luidruchtige onenigheid.

Deze foto werd 49 jaar geleden genomen in mijn geboortestad Oran.

De nepkerstman, mijn vriendinnetje Laurence en ik staan voor de ingang van ons appartementencomplex. Dat was een armoedig gebouw met een afgebladderde gevel en een donker binnenhofje, waar een stuk of vijf, zes families te kleine appartementen bewoonden. Het complex stond in Choupot, een buitenwijk van Oran, waar vooral arbeiders en kleine middenstanders gehuisvest waren. De Europeanen spraken een soort Frans dat met enkele Arabische woorden was gelardeerd en met heel veel Spaanse uitdrukkingen. De Algerijnse moslims spraken zowel Arabisch als Frans, de taal van de koloniserende macht. Door de hele stad, maar vooral in de arme buitenwijken, woonden de etnische groepen door elkaar. Tweehonderdtwintigduizend Europeanen naast honderdtachtigduizend moslims.

In ons gebouw bewoonden de Europeanen, onder wie mijn familie, vooral de eerste verdieping. Beneden links, direct naast de ingang, bevonden zich de eigenaren, een vrij jong moslimechtpaar bij wie mijn vader maandelijks de huur kwam betalen. (Inderdaad, moslims bezaten panden en winkels, werkten soms als ambtenaar en zelfs als leraar, maar dat was de minderheid.) Vooral de vrouw van het echtpaar mocht ik heel graag. Soms riep ze me bij zich, in haar kleine en slecht verlichte appartement, om mij te trakteren op zeer dunne Arabische pannekoeken die ze ’mouchoirs’, zakdoekjes, noemde. Ik kan me nog de dag herinneren waarop het echtpaar, als eersten in het gebouw, een tv-toestel had aangeschaft. Iedere avond klonterden alle huurders samen voor hun deur om naar het blauwe venster te turen. Een magisch moment.

Zowel de moslims als de Europeanen in het gebouw waren in Algerije geboren, maar mijn vader was een uitzondering: hij was de enige echte Fransman van het gezelschap. Geboren in Normandië en opgegroeid in Parijs, was hij tien jaar eerder in Algerije beland om zijn militaire dienst te vervullen. Met zijn uniform en zijn nette Frans accent wist hij indruk te maken op een meisje van achttien. Een jaar later trouwde zij met deze jonge Fransman. Ze kregen snel hun eerste kind, mijn zus Ghislaine. Mijn moeder was de dochter van een Spaanse immigrant, Rodrigo. Van moederskant stamde ze af van een Frans-Spaanse familie die sinds vier generaties in Algerije zat, daar gekomen niet lang na de verovering en kolonisatie.

Ik ben dus geboren midden in een oorlog. Mijn eerste levensjaren bracht ik door in een bijzonder onveilige omgeving. De blauwe nachten van Oran waren berucht. Blauw was de kleur van de wanhoop en de ontploffingen. Van de aanslagen op Arabische winkels, de brandstichtingen bij overheidsgebouwen, de kogels die de nacht bekrasten. Iedereen kon een doelwit zijn en je wist niet altijd wie op wie schoot. Arabieren schoten op Europeanen en andersom. De Franse militairen op hun beurt schoten zowel op de moslims van het FLN (Front de Libération National) als op de Europeanen van de extreem-rechtse OAS (Organisation de l’Armée Secrète). En ook binnen die twee kampen vonden tal van afrekeningen plaats. Wie als collaborateur of verrader van de eigen soort werd beschouwd, riskeerde te worden ontvoerd, gemarteld, verminkt (oren of neus afgesneden bij moslims) of geëxecuteerd (kogel van de OAS door het hoofd bij Europeanen).

Traumatiserend voor een kind? Welnee. Hoewel het besef van het loerende gevaar mij heel vroeg werd bijgebracht, was dit beginnende leven speels en onbekommerd. Net als bij kinderen die in een vreedzame omgeving opgroeien. De ongewone en sensationele omstandigheden vormden zelfs een vruchtbare grond waarin mijn nieuwsgierigheid kon wortelen.

Zo vloog er op een zonnige ochtend een verdwaalde kogel door de woonkamer van mijn grootouders, die een straat verderop, in de Maraval-wijk, woonden. Spannend, vond ik. Ik kon zelfs een gevoel van trots niet onderdrukken. De hele buurt verzamelde zich voor de deur van mijn grootouders om het kogelgat in hun houten luik te aanschouwen. Met bijna religieuze aandacht, alsof het de stigmata van Christus betrof.

Fier was ik ook de dag dat ik mijn opa rustig en gedecideerd naar buiten zag lopen om een bejaarde Arabier die de weg kwijt was in veiligheid te brengen. Hij begeleidde hem tot aan de muur van prikkeldraad die de grens tussen onze gescheiden werelden markeerde. Achter dat prikkeldraad, aan het einde van onze straat, begon het territorium van het FLN dat de moslimbevolking beschermde. Want de Europeanen en de Arabieren hadden uiteindelijk gezamenlijk besloten om voortaan strikt gescheiden te leven, dit om de kans op aanslagen te verminderen. Er werd aan vrijwillige verhuizingen en interetnische woningruil gedaan. Een kwestie van overleven.

Zo gebeurde het dat wij op een dag onze Arabische slager, de dikke besnorde Chetoine, moesten uitzwaaien. Zijn slagerij tegenover het huis van mijn grootouders, bood voortaan alleen de dorre aanblik van een permanent neergehaalde rolluik. Totdat ook deze verlaten winkel doelwit werd van een volstrekt nutteloze aanslag. Ik herinner me nog goed hoe twee blanke jongens op een snikhete middag aan kwamen rijden op hun scooter, een fles benzine tegen het rolluik kwakten om vervolgens weer op hun scooter te verdwijnen. De hele straat keek hoofdschuddend naar het beginnende brandje. Chetoine was een geliefde middenstander geweest, maar niemand die het in zijn hoofd haalde om het vuurtje te blussen. Voor je het wist werd je door de OAS als verrader gebrandmerkt en werd ook jouw huis op een molotovcocktail getrakteerd.

Er zijn heel wat oorlogen en bloedige conflicten uitgevochten tijdens de dekolonisatie. Maar nergens werd het niveau van wreedheid, waanzin en irrationele haat gehaald dat de Algerijnse oorlog kenmerkte.

De autochtone moslims hadden alle redenen om in opstand te komen tegen het Franse gezag, dat hen als tweederangs burgers beschouwde. Hun strijd (ook tegen de eigen moslimbevolking, van wie het FLN tienduizenden vermoordde vanwege collaboratie) werd vanaf 1954 steeds meedogenlozer. De vijand werd angst aangejaagd door bomaanslagen op cafés en restaurants. De Europeanen, soms al sinds generaties in Algerije gevestigd, werden volstrekt verrast door die zogenaamde ’evenementen’.

Maar naarmate de strijd vorderde, namen de extreemste elementen de brute methoden van het FLN over. Hun wanhoopsoffensief, vlak voor de onafhankelijkheid, waarbij de OAS Oran in vuur en vlam probeerde te zetten, vertoonde suïcidale trekken. De strategie van de verschroeide aarde – overheidsgebouwen en de haven werden in brand gestoken – moest ervoor zorgen dat de bevrijde Arabieren niets bruikbaars in handen zou vallen.

Het Franse leger voerde vooral buiten de grote steden een bikkelharde repressie tegen alles wat verdacht werd van steun aan het gewapende FLN. Hele dorpen werden vernietigd. Het Arabische dodental liep tot in de honderdduizenden (historici schatten rond een half miljoen). De verliezen van burgers en militairen aan Franse kant waren in verhouding bijna verwaarloosbaar.

Toch waren het niet de aantallen die de pieds noirs (’zwarte voeten’ zoals de Frans-Europeanen zichzelf noemden) angst en haat inboezemden. Dat was de afschrikwekkende manier waarop het FLN de opstand vormgaf. Je werd niet zomaar geëxecuteerd als je in handen van het Algerijnse verzet was gevallen. Verminkingen tijdens langdurige martelsessies waren aan de orde van de dag. Afgesneden ledematen werden op lichamen gestapeld, afgesneden penissen in de mond gepropt van afgehakte hoofden, armen tot op het bot van hun vlees ontdaan, en van zwangere vrouwen werd de buik opengesneden om de vrucht eruit te rukken. Deze ongekende wreedheid én de blinde repressie die erop volgde maakten dat er van verzoening tussen de twee bevolkingsgroepen geen sprake meer kon zijn.

Op 5 juli 1962 schonken de Franse machthebbers de Algerijnen hun onafhankelijkheid. Frankrijk had de oorlog en zijn overzeese gebiedsdeel verloren. Immens was die dag de vreugdeuitbarsting onder de moslimbevolking. Maar in Oran leidde ze tot een bloedbad dat het FLN niet kon voorkomen en waartegen het nog aanwezige Franse leger niets ondernam. Honderden Europeanen, allemaal burgers, werden door de dolle menigte uit hun huizen en auto’s gehaald, ter plekke verkracht of vermoord. Anderen werden ontvoerd, gemarteld en dikwijls nooit meer terugvonden. Sommige Europese vrouwen verdwenen in bordelen waaruit maar een enkeling wist te ontsnappen. Pas in de avond kon het FLN de orde herstellen.

Deze verschrikkingen hebben wij zelf gelukkig niet meegemaakt. Enkele maanden daarvoor hadden mijn ouders besloten Algerije te verlaten. Opa, oma en talrijke familieleden waren ons een half jaar eerder voorgegaan. Ik was bijna zes. Mijn moeder nam afscheid van het land waar haar familie sinds vier generaties vreedzaam had geleefd. Vreedzaam, maar ook tamelijk onverschillig voor het lot van de oorspronkelijke bevolking. In totaal zou bijna een miljoen pieds noirs naar Frankrijk vluchten.

Voor het jongetje dat ik was werd het nieuwe leven in Frankrijk een bevrijding. Ik kon in alle veiligheid op straat spelen en in mijn eentje naar school lopen. Voor mijn moeder brak een periode aan van zware depressie. Het vochtige klimaat, de ingetogen Franse cultuur, de koele ontvangst – aan niets kon ze wennen.

De oorlog was verloren maar een andere stond op het punt uit te breken. Deze nieuwe strijd begon een jaar of tien na onze aankomst in Frankrijk en viel samen met mijn adolescentie en politieke bewustwording. Ik had tijd genoeg gehad om mij over ons gezamenlijke verleden te buigen. Snel nam ik afstand van de frustratie en het ressentiment die de pieds noirs sinds met zich mee torsten. Ik was gelukkig in Frankrijk en ik had geen enkele spijt dat we Algerije hadden moeten verlaten, het land dat ik zo kort had gekend.

Ik had mijn oordeel klaar. Ik begon mijn ouders te confronteren met een retoriek die zuiver antikolonialistisch was en links georiënteerd.

Samengevat: onze aanwezigheid in Algerije, ook al was die gedragen door talrijke generaties, was onwettig, historisch fout en niet te verdedigen. Als onderdanen van een koloniserende macht hadden we doodgewoon andermans grond ingepikt. Ook al bezaten wij zelf, zoals vele pieds noirs, weinig tot niets. De bevrijdingsoorlog die het FLN had geïnitieerd was weliswaar hard, wreed en soms barbaars, maar in historisch perspectief volstrekt legitiem. De prijs die de moslimbevolking daarvoor had moeten betalen was vele malen hoger dan wat ons was aangedaan. Het Franse leger had zich aan oorlogsmisdaden bezondigd en de wandaden van het fascistische OAS waren in de verste verte niet goed te praten.

Tot op de dag van vandaag heb ik geen enkele reden om van dit standpunt af te wijken.

Het thema werd thuis een heet hangijzer. Vooral tijdens het eten stelde het onze familiebanden op de proef. Hoe vaak stond mijn vader niet op om woedend of geïrriteerd de eetkamer uit te lopen? En hoe vaak moest mijn moeder niet een traan laten na alweer een knallende ruzie over de Kwestie?

Met het verstrijken van de jaren en het wegebben van pijnlijke herinneringen, dacht ik hen te hebben overtuigd. Totdat in november 2005 de rellen in de banlieues begonnen. Overal in Frankrijk staken migrantenjongeren duizenden auto’s, maar ook scholen, buurthuizen en bibliotheken in brand. Soms hoorde je ze op filmpjes Allah Akbar schreeuwen of oproepen tot de djihad. Overwegend waren het moslims en van origine vaak Algerijnen.

Mijn ouders werden teruggeworpen in de tijd. Langzaam raakten ze ervan overtuigd dat er een nieuwe Algerijnse oorlog op het punt stond uit te breken, maar nu op Franse bodem. Wij zullen het gelukkig niet meer meemaken, zeiden ze.

Natuurlijk zijn diepe trauma’s gedoemd om ooit weer boven te komen drijven. Maar het is geen kwestie van irrationele angst alleen. De buurt waarin mijn ouders wonen in Zuid-Frankrijk is de laatste tien jaar razendsnel verkleurd. Ook daar zijn de laatste tijd enkele auto’s in brand gevlogen en maakt de hoofddoek de islam nu overal zichtbaar. De markt waar mijn moeder altijd boodschappen deed, wordt inmiddels door bijna uitsluitend Arabische kooplui bemand. Op nog geen honderd meter van hun flat heeft zich een moskee gevestigd. Soms wordt op vrijdag hun straat door tientallen mannen met baard en djellaba versperd.

Toen mijn vader, nu 81 jaar, zich vorige winter beklaagde bij de woningcorporatie over de nachtelijke herrie bij de bovenburen, vonden mijn ouders diezelfde week een Arabische leus op hun deur. Volgens de naaste buurman – een Marokkaan die mijn vader regelmatig helpt met het dragen van zijn boodschappen – stond er iets lelijks over de moeder van mijn moeder. Mijn overleden oma zou een hoer zijn geweest.

Het is voor het bejaarde echtpaar niet te bevatten dat ze Algerije hebben moeten verlaten om het land aan de oorspronkelijke bewoners terug te geven en dat die hen nu achterna zijn gereisd. Dat er volgens schattingen nu rond vier miljoen Algerijnen in Frankrijk verblijven – bijna de helft van de autochtone bevolking ten tijde van de oorlog. Dat velen van hen in de banlieues met haat tegen Frankrijk en de Fransen worden grootgebracht. Maar dat bij een bezoek van de vorige Franse president Jacques Chirac aan Algiers duizenden Algerijnen hem om een visum smeekten.

Waarom is deze waanzinnige oorlog ooit gevoerd als moslimse Algerijnen hun bevrijde land nu massaal willen verlaten om bij de oude kolonisator in te trekken? Waarvoor dan toch al dat bloed en al dat leed?

Het blijft voor mijn ouders een onbegrijpelijke draai van de geschiedenis. En ik kan het ze niet uitleggen. Zoals ik ze evenmin kan uitleggen waarom kerstmannen zich in bepaalde Europese buurten niet meer durven te vertonen. Nepkerstmannen zoals deze, naast wie ik in de winter van 1960 op de foto stond.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />