Letter & Geest vraagt zijn auteurs deze zomer te schrijven over een foto die een veelzeggend moment illustreert in hun leven of denken. Dat kan een World Press-achtige foto zijn of een uit de privécollectie, een beeld van recente datum of juist uit een ver verleden. Vandaag: schrijver Willem Jan Otten over een foto uit de jaren vijftig.
Het is een vreemd voorrecht om, zelf almaar ouder wordend, een moeder te blijven hebben.
De mijne is over de tachtig. Ze heeft altijd onder haar meisjesnaam geopereerd, Marijke Ferguson. Sinds mijn oudste zoon kan spreken (hij is daar begin 1983 plotseling mee begonnen, na een korte tijd woordeloos verrukt te zijn geweest van zigeunermuziek in een reclame voor sjasliksaus van, ik meen, Duyvis) heet ze Omarijke. Ze is één keer getrouwd geweest, tot mijn negende. Mijn broer, toen zeven, heeft kort daarna, op een voor zijn doen ongebruikelijk plechtige toon, voorgesteld dat wij haar Moeder zouden noemen.
We zaten met z’n drieën aan de ronde tafel, en mijn broertje stotterde van opwinding. Niemand heeft ooit kunnen achterhalen waar het idee vandaan kwam – maar mijn moeder begon te lachen „En wáárom niet”, zei ze. Het leek een spel, maar het bleek vreemd juist te zijn, zelfs al klonk het aanvankelijk alsof we in het verkeerde kinderboek terecht waren gekomen. Mijn moeder was tot op dat moment altijd beurtelings ’Marijke’ en ’Mam’ geweest, kunstenaarskinderen als wij waren.
Zo droom ik soms van haar: dat ze in een andere kamer is; dat het stil is in huis – altijd het bovenhuis in de Amsterdamse Rivierenbuurt, het huis van mijn eerste jaren; en dat ik Moeder! roep.
Vaker droom ik evenwel dat zij degene is die roept, en wel: Willem Jan!, waarbij zij van Jan Ja-han maakt, er zit dan tussen ’Willem’ en ’Ja’ een kwint, omhoog, en tussen ’Ja’ en ’han’ een kleine terts, naar beneden. Ze heeft een sopraan, toen ik zojuist de toonhoogte uitprobeerde op de piano, schatte ik ’Willem’ op een G.
Gedurende deze droom ben ik aan het voetballen op het schoolplein naast ons latere huisje in Laren. Moeder roept uit het huis, een keer of drie. Dat is alles. Ik herinner me niet dat ik in de droom ooit op de stem heb gereageerd, ik krijg mijn moeder althans niet te zien. Wat jammer is, want ik zou haar heel graag weer eens echt als vijfendertigjarige te zien krijgen. Ze was zo jeugdig dat mensen in winkels soms vroegen of ik haar broertje was.
Laatst vertelde ik haar van deze droom, en we vroegen ons af of ik hem ook zou hebben als zij er niet meer was. Over dood spreekt zij meestal licht, dat is altijd zo geweest, misschien komt dat doordat ze nooit helemaal genoegen heeft genomen met het idee dat mensen na hun dood nergens zijn. Of laat ik het zo zeggen: zij ziet er het voordeel niet van om op besliste toon te beweren dat de dood het einde is. Ze heeft zich nooit tot de Kerk bekend, maar steekt met een kathedraalse trouw kaarsen op voor haar vele doden, zelfs, geloof ik, voor haar eerste dode, in 1944, in het Japanse interneringskamp Tjideng. Die heeft zij als zeventienjarige getekend, op de laatste avond van haar leven – een mager hongergezicht met gesloten, luisterende ogen steunend op een hand met lange vingers. Het steekt me dat ik me de naam van deze vrouw, tegen wie mijn moeder ’tante’ zei, niet herinner. Maar ze leeft, Moeder, ik zal haar als dit stuk af is bellen.
Haar geheugen is beter dan het mijne – al vraag ik me af of je zoiets wel kunt weten, wanneer moet je een geheugen meten? Mijn moeder herinnert zich ontzagwekkend veel, maar niet zelden onjuist, waardoor ze zich van wat ze zich herinnert in naslagwerken moet vergewissen – betekent dit dat haar geheugen minder is dan dat van Michaël Zeeman? En wat meet je – wat iemand zich op afroep herinnert, of wat iemand zich herinnert als hij helemaal niet van plan is om het zich te herinneren? In dat laatste ben ik weer hoogbegaafd. In het bedrijven van de systematische luiheid die maakt dat je opgerakeld kunt worden door schijnbaar nutteloze flarden niet te dateren geheugenresten.
„Ze luistert naar Omi die piano speelt”, zegt mijn moeder van de tante op de tekening. Ze gebruikt inderdaad de Tegenwoordige Tijd als ze dit zegt.
Toen ik meer dan dertig jaar geleden eens vroeg wát Omi op dat moment speelde, zei mijn moeder dat ze precies wist welk stuk het was, maar dat ze het zich niet meer herinnerde, en ook niet meer de componist.
Ik was begin twintig, en had met herinneren nog weinig te schaften gehad, dus ik vroeg hoe dat mogelijk was. Wel precies weten maar niet herinneren.
Toch is het zo, zei ze. Ik kan de melodie niet nazingen, toch weet ik dat ik hem precies weet.
Twee jaar geleden kwam ze me een cd met Beethovensonates brengen, gespeeld door Arthur Schnabel. Een opname uit de jaren dertig, in Concerto gevonden. Ze kocht het, zonder te weten dat het om ’het’ stuk ging, ze was daar helemaal niet naar op zoek. Een eerste deel. Rustige akkoorden in mineur. Mijn moeder had het stuk per ongeluk opgezet, met een heel ander doel, en besefte dat dit het stuk was. Het had meer dan zestig jaar liggen wachten om beseft te worden.
Zulk beseffen, we zijn er nooit te oud voor, zei ze. En eigenlijk komt het ook nooit te laat.
Dat deze Omi, mijn grootmoeder Maja Kwast, haar vleugel bij zich heeft weten te houden het hele interneringskamp door, helemaal weer tot in Amstelveen toe, is het mirakelverhaal van mijn familie. Rond deze vleugel heb ik mijn toneelstuk ’Een sneeuw’ gegroepeerd. Op zeker moment vindt iemand in de klankkast een theelepeltje dat ze in het kamp is kwijtgeraakt. Tijdens de première in 1983 zei Omi die naast mij zat, voor mijn gevoel hoorbaar voor de hele Arnhemse schouwburg: „Maar dat gelooft toch geen mens!”
De tekening van de luisterende vrouw staat op het blad van de overgrootmoedersecretaire die ook uit Indië is gered, en die als een overbevolkte dodenschrijn dienst doet. Fotootjes, tekeningen, relieken, aandenkens, allemaal aangespoeld op het eiland van mijn moeders lange leven. Tezamen bieden ze de aanblik van trouw, van een vastberadenheid om de mensen uit haar leven niet te laten schieten.
Het is, in mijn ogen, geen obsessioneel vastklampen – ik heb juist het gevoel dat zij zo nieuwsgierig naar het heden, en naar de levens van levenden, en naar de nieuwe fenomenen op haar vakgebied, de muziek, kan blijven zijn, omdat zij haar doden om zo te zeggen ergens op één begrensde plaats in de ruimte heeft verzameld. Dat ze er kaarsjes bij brandt doet me regelmatig vragen of ze haar verzekeringen betaald heeft, maar leert me ook iets essentieels over religie, die, geloof ik, om te beginnen een dodencultus is. Of beter: een manier om de dood van zijn prikkel te beroven.
Dankzij de dodenschrijn kan mijn moeder haar doden vergeten. Door ze aanwezig te stellen, concreet, bijna als icoontjes, kun je niet alleen naar ze toe gaan, maar je je ook, na een soort gedachtenoefening die zij, geloof ik, desgevraagd ’bidden’ zou noemen, van ze afdraaien. En ze vergeten.
De dure, na verloop van tijd dodelijke plicht die de eerste rouw je oplegt, om nooit niet aan de doden te denken, kan worden opgeheven, want ook als je even niet aan ze denkt, denken de dingen van de doden aan jou. Ze wachten op je. Je bent geen verrader als je begint te vergeten. „Symbolen bewaren wat je moet loslaten”, schrijft de Vlaamse filosoof Paul Moyaert in een van de mooiste boeken over het gelovend bewustzijn die de laatste jaren verschenen zijn: ’Iconen en beeldverering’.
Mijn moeders schrijn is inderdaad bezaaid met symbolen, en symbolen, zegt Moyaert, „vangen mijn vergetelheid op, en juist daardoor maken ze het mogelijk mijn vader te vergeten. Zo maken ze een leven zonder vader mogelijk.” En: „Symbolen fungeren niet alleen als mijn geheugensteun, nee, ze zijn mijn geheugen en gedenken mijn vader in mijn plaats.”
Toen ik mijn droom ter sprake bracht wist ik terdege dat ook mijn moeder een droom heeft waarin ze heel duidelijk door haar moeder bij name wordt geroepen. Marijke! Dezelfde G, D en B. Zij is ervan overtuigd dat ook háár moeder die droom had, maar dan met Maja!
Dit gaat, zegt zij, zo door, helemaal terug naar Eva.
Ik vraag me af of het werkelijk waar is dat ze mij voor het eerst van deze droom vertelde toen ze juist was bijgekomen van een operatie aan haar baarmoeder, rond haar vijftigste. Misschien dramatiseert mijn geheugen hier de scène, ben ik nu te veel fictieschrijver. Misschien heeft ze me pas later verteld dat ze nu en dan in haar slaap door haar moeder wordt aangeroepen. Maar het kan ook zijn dat ik ben gaan schrijven door dit soort scènes, wat zeggen wil: door het wonderlijke vertellende, fictionaliserende bewustzijn van mijn moeder.
Het idee dat ze het mij verteld zou kunnen hebben daar, op de gynaecologische afdeling van het ziekenhuis, maakt me hoe dan ook wat duizelig. Ze heeft altijd geprobeerd om mij, haar oudste zoon, niet in de rol van echtgenootvervanger te dringen – maar ik was me, dat herinner ik me wel onweerlegbaar, sterk bewust van de onvermurwbaarheid van dat moment. Zelf was ik sinds een jaar vader. Het krijgen van kinderen was voor haar al jaren afgelopen, maar nu dan definitief en vooral: symbolisch. Achter de op voorhand eindige reeks eisprongen, was een medische punt gezet.
Maar door te vertellen van haar moederdroom, en te opperen dat haar moeder die droom ook had gekend, enzovoort, creëerde zij als het ware alsnog een reeks eisprongen, een oneindige reeks ditmaal, gedroomde, hersenspinselsprongen terug de eeuwigheid in naar de Eerste Moeder.
Wat ik me nadien soms afvroeg is of er nu dan dus met mij, en mijn broer, zussenloos als we zijn, een eind was gekomen aan deze reeks aanroepingen. Op de een of andere manier ben ik er geruime tijd van uitgegaan dat het hier ging om een zuiver moederlijke reeks, een matriarchale fictie. Maar inmiddels ben ook ik de aanroepdroom gaan krijgen – en ik denk dat ik hem te danken heb aan die van mijn moeder.
Althans, dat vraag ik me af. Zou er, waar het om dit soort dromen gaat, sprake kunnen zijn van nabootsing? Ben ik de roepende stem van mijn moeder gaan dromen omdat ik wist dat zij zo droomde? Zou ik hem niet zijn gaan dromen als zij hem niet had verteld? Of zit het nog anders, nog fundamenteler – en is dit niet onze droom, maar wordt hij, sinds de aanvang der tijden, voor ons gedroomd, en blijft hij tot de voleinding gedroomd zijn? Dragen wij door te dromen deze droom door de schepping heen?
Hier moet de wetenschap zich eens over buigen. Het zou zomaar kunnen zijn dat de hele wereld de hele geschiedenis door – ik bedoel dus: ieder mens afzonderlijk – dezelfde droom droomt, alleen weten we dit niet van elkaar. Ik stel voor dat in het onderzoek tevens de vraag wordt meegenomen of mensen wier moeder tijdens de bevalling of anderszins heel vroeg is gestorven, de betreffende droom óók dromen.
Als dat zo is, dan zijn we een stuk verder.
Ik kom hier op omdat ik naar een fotootje kijk – van vijf bij vijf centimeter – waarop mijn moeder net niet te zien is. Toch is zij het belangrijkste van de foto, en ze is, net als in de droom, alleen maar klank. Dat ik ernaar kijk komt doordat ik, toen Letter & Geest mij vroeg voor deze serie, meteen aan dit fotootje dacht. Het sprong letterlijk in me op, met de kracht van een plotseling hervonden eerste herinnering.
Vervolgens ben ik het gaan zoeken, in mijn eigen huis, tussen ’de papieren’. Dat is de berg mappen, leggers, nimmer bijgewerkte plakboeken, schoenendozen, plastic zakken, decennia geleden voor het laatst gesloten koffers, die tezamen méér levensresten bevatten dan er moleculen in het universum zijn. De aanblik van ’de papieren’ doen je de beroemde zucht van de filosoof Heidegger slaken. „Alleen een god kan ons redden.” Dit alles heb ik bewaard, maar waar is het brein waarvoor het bewaard moet zijn? Het mijne is sowieso te klein.
Wat u ziet ben ik, voor ik dat had wat nadien ’mijn geheugen’ is gaan heten, en op een of andere manier maak ik mij sterk dat met deze foto, op mijn schaal, precies hetzelfde is gevangen als met Michelangelo’s schildering van God en Adam in de Sixtijnse kapel. Daarop is, zoals bekend, te zien hoe de Schepper vanuit een schelpachtige wolk rechts zijn rechterarm uitstrekt naar de linkerwijsvinger van Adam.
We zeggen gemeenlijk dat God daar doende is te ’creëren’, per vingertop. Maar wat we zien is iets anders. Adam is al klaar. De feitelijke scheppingsarbeid is al achter de rug – de eerste mens is al vervaardigd, uit stof, klei, materie, wat hier, op dit plafond natuurlijk vooral betekent: uit verf.
Michelangelo’s Schepper heeft eigenlijk nog maar één ding in petto: hij wil Adam wekken. Tot bewustzijn brengen, opdat hij beseft dat hij bestaat. En dat de schepping bestaat. En dus God. Het is duidelijk dat het op de schildering nog net niet zo ver is. God kijkt ongeveer zoals mijn grootmoeder van vaderszijde, Oma Otten, als zij op het punt stond een draad door het oog van een naald te steken. Als je Zijn blik volgt dan kom je uit op – niets. Op de ruimte tussen de vingertoppen. Adam kijkt daar in het geheel niet naar. Hij heeft de zwemmerige oogopslag van iemand die nog moet ontwaken.
Het fotootje is niet mijn eerste herinnering. Dat is onmogelijk – die dateert van later, en is een ander chapiter. Met ’eerste herinneringen’ is iets vreemds, heb ik tijdens mijn eigen gedateerd raken ontdekt: ze verdwijnen. Dat wat ik rond mijn dertigste mijn eerste herinnering noemde (iets met een put, en er bijna in vallen en weggetrokken worden – met angst dus) heb ik mij sinds, zeg, mijn veertigste niet meer herinnerd. Ik wéét dat het mijn eerste herinnering is, maar ’heb’ haar niet meer. Zij is een feit geworden, maar dringt zich als ervaring niet meer aan mij op. Wel weer een andere – mijn vader naakt uit een badkamer zien komen. Maar ook daar ben ik inmiddels niet zeker van of ik haar nog wel ’heb’.
Vroeger geloofde ik dat ik een koraalrif was, dat ik ’aangroeide’. Inmiddels begrijp ik dat ik een wolkenformatie ben tijdens een bepaald soort westenwind. Er gaat, zo lijkt het, voortdurend iets vanaf en toch lijkt de massa constant te blijven, en zelfs zijn vorm te behouden – maar als je langer kijkt, blijkt ook dat niet het geval. Toch blijf ik dezelfde wolk.
Al is het fotootje niet mijn eerste herinnering, het vangt het belangrijkste wat een mens kan overkomen. Het begin van besef. Het michelangelische moment waarop het bewusteloze schepsel, dat al helemaal klaar is, uit zichzelf treedt omdat het geraakt wordt. Want dat is evident het geval – ik kijk naar degene die de klank veroorzaakt. Ik reageer op de klank met een soort begrip: de klank wordt gemaakt. En ik boots de maakster na. Ik wil háár raken met datgene waarmee ze mij raakt.
Ik heb twee kinderen, en van allebei heb ik de wording van taal en muziek meegemaakt, en nooit heb ik er vat op gekregen. Het is het poëtische proces bij uitstek, en het kan niet worden verklaard of begrepen, alleen verbeeld, gesymboliseerd.
Zo kijk ik naar dit fotootje – als naar de schakeling in het eeuwige proces dat sinds Adam per vingertop de geest kreeg, ieder mens afzonderlijk de geest heeft gegeven, en doet beseffen: ik besta.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.