*

 

'Passend onderwijs gaat over leraar, niet leerling'

Somajeh Ghaeminia − 15/07/09, 11:19

Met de invoering van passend onderwijs zal een schoolklas er straks heel anders uitzien. De meester of juf zal ook leerlingen met flinke gedragsproblemen les moeten geven. Wat weet een doorsnee- leerkracht over autisme, ADHD of faalangst? En hoe moet hij zich voorbereiden op de steeds complexere groep leerlingen?

  •  (\N)
    (\N)

Kees van der Wolf, emeritus hoogleraar orthopedagogiek en voormalig lector Gedragsproblemen in de onderwijspraktijk, deed uitgebreid onderzoek en schreef er samen met Tanja van Beukering een boek over: ‘Gedragsproblemen in scholen’.

Leraren richten zich vooral op de omgang met leerlingen, concludeert Van der Wolf. En die relatie kan doorslaggevend zijn. Want ergert de leerkracht zich aan het gedrag van Pietje, dan zal hij hem negatief beoordelen waardoor het kind ook negatief naar zichzelf gaat kijken. Met alle gevolgen van dien. Van der Wolf: “Leerkrachten vinden die relatie daarom zo belangrijk: ‘als ik het kind maar goed erbij betrek en hij zich veilig bij me voelt dan komt het goed’. Maar een kind met autisme heeft daar niets aan. Die heeft structuur nodig, een dagplanning, hij moet weten waar hij aan toe is. Dat is voor hem veel belangrijker dan een extra knipoog.”

Leraren moeten weten dat iedere beperking weer een andere benadering nodig heeft. Een open deur, die voor veel leerkrachten toch dicht blijkt te zijn, weet Van der Wolf. “Op de meeste lerarenopleidingen besteden ze pas in het laatste jaar aandacht aan gedragsproblematiek, dat zou juist vanaf het begin al moeten. Met drie of vier kinderen per klas is immers iets aan de hand.”

Maar is het haalbaar om een klas van dertig leerlingen met verschillende problemen goed te kunnen draaien? Van der Wolf verwijst naar een spreekwoord uit de elfde eeuw: “’Wee de muis die maar één gaatje weet’, dat geldt ook voor de leraar. Een goede leraar kan schakelen, kan variëren en heeft overzicht. Dus ja, dat kan heel goed.”

Maar dat betekent niet dat meester of juf er alleen voor staat, benadrukt Van der Wolf. “Hét probleem van de leerkracht is: hoe ga je om met zoveel verschillen in een klas? Daar moet de scholing en bijscholing van leraren op worden ingesteld. Maar een leraar hoeft geen psychiater te worden. Hij moet ondersteund worden door deskundigen in en rond de school. Daar zijn allerlei manieren voor. Hij hoeft niet de hele dag met die ene autist apart te zitten.”

Die deskundigheid, van een remedial teacher bijvoorbeeld, wordt nu al vaak op reguliere scholen ingezet. De leerling wordt dan even uit de klas gehaald voor een aangepaste oefening. Daar schuilt een gevaar in, waarschuwt Van der Wolf. “Je ziet vaak dat de leerkracht te weinig feedback krijgt. Die denkt: daar ga ik niet meer over. De verwachtingen worden verlaagd. Het kind mist de aansluiting met de klas en kan het niveau niet meer bijbenen.”

Niet te veel uit de klas halen is het advies, maar hoe kan je dan individueel begeleiden? “Slimmer organiseren, veel samenwerken met orthopedagogen, psychologen etcetera. Laat die deskundigen met een groepje in de klas werken. Zo kunnen de probleemleerlingen zich blijven optrekken aan de leerlingen die goed functioneren. Maar de leerkracht blijft eindverantwoordelijk. Die blijft de regisseur.’

Passend onderwijs vereist een omslag in het denken, aldus Van der Wolf, die eveneens lid is van de evaluatie- en adviescommissie Passend onderwijs. “Passend onderwijs moet gaan over het handelen van de leerkracht, niet over de problemen van de leerlingen. De enige manier waarop die problemen nu vaak worden besproken is door in de pauze stoom af te blazen bij een collega. Beter zou zijn om niet alleen je hart te luchten, maar om met die collega ook te zoeken naar een oplossing.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />