Na de verloving van kroonprins Willem-Alexander en Máxima in 2001 leek de politieke strijd over onze staatsvorm definitief beslist in het voordeel van de constitutionele monarchie. GroenLinks en SP, de laatste bolwerkjes van een republikeinse geest, deden zich in het verlovingsdebat nauwelijks nog gelden, beducht als ze waren voor de populariteit van de toekomstige koningin.
Tegelijk herstelde premier Kok in de kwestie-Zorreguieta het evenwicht tussen het koninklijk huis en de verantwoordelijke politici. Met zijn antwoord op de vraag of vader Zorreguieta als voormalig dienaar van een bloedig regime bij het huwelijk aanwezig kon zijn, markeerde hij dat niet de wens van de Oranjes maar het openbaar belang de doorslag geeft.
De terreinwinst die Kok na een reeks van incidenten had geboekt, leek de afgelopen weken verloren te gaan in het politieke rumoer over de handel en wandel van de familie. Het debat over de gewenste staatsvorm laaide opnieuw op en er rees ernstige twijfel over de vraag of er tussen het Torentje en het Noordeinde nog wel communis opinio bestaat over wat het openbaar belang in deze crisistijd vraagt. Een groots en meeslepend debat leverden deze vragen niet op. Premier Balkenende kon zich tegen de kritiek vrij gemakkelijk verweren. Maar het debat bracht wel iets anders scherp in beeld, dat met de vraag monarchie of republiek nauwelijks van doen heeft.
Die vraag is al lang niet meer de inzet van de discussie, misschien wel omdat iedereen aanvoelt dat Nederland naar het woord van de negentiende-eeuwse schrijver Busken Huet ’een democratische republiek is met een Oranje als erfelijk voorzitter’. Niettemin plaatst de SP zich weer onbeschroomd in de republikeinse traditie nu de liefde voor Máxima wat bekoeld lijkt en de economische crisis publiek ongenoegen heeft losgemaakt over de inkomens en privileges van de leden van het koninklijk huis. Het Kamerlid Van Raak pleitte evenwel niet voor het afschaffen van de monarchie, doch slechts voor het verder ontkoningen van de koning. Net als de PVV zette hij in op een ceremonieel koningschap naar Skandinavisch model. Zijn motivering is dat een koning die niet alleen buiten politieke, maar ook buiten staatszaken wordt geplaatst, niet langer ’het gedoe’ zal opleveren dat er nu af en toe is. Dat is nogal mager.
De positionering van de SP en de PVV bewijst vooral dat zij populisten zijn, die zowel van het walletje van de Oranjegezindheid als dat van het ongenoegen van de straat willen eten. Van een principieel republikeins geluid is geen sprake, beide partijen deinen mee op stemmingen en hebben daar een sterk ontwikkelde antenne voor. En ze hebben het tij mee.
In perioden onzekerheid gebruikt men de monarchie altijd dankbaar als kop van Jut, zoals in de revolutionaire jaren 1918 en 1966 is gebleken. De premier had daar wellicht scherper rekening mee moeten houden. Hij ontleent de betekenis van het koningschap, zei hij in de Kamer, aan de continuïteit, identiteit en stabiliteit van ons staatsbestel, maar op alle drie die punten staat het bestel de laatste jaren onder druk. Een verschijnsel dat ook de koninklijke familie na de speeches van de koningin over de uitingsvrijheid en prinses Máxima over de identiteit van het Nederlandse volk niet kan zijn ontgaan.
Die druk is alleen maar toegenomen sinds het uitbreken van de crisis en treft, in de vorm van een afnemend vertrouwen en groeiend wantrouwen, niet alleen het koninklijk huis maar alle instituties van de staat; ook het kabinet, het parlement en de rechterlijke macht. De populistische partijen staan bij incidenten telkens klaar om, geholpen door spektakelzuchtige media, die druk op te voeren, zoals nu op de koningin, de troonopvolger en de politiek verantwoordelijke premier. Niet voor niets begon SGP-voorman Bas van der Vlies zijn bijdrage aan het debat over het koninklijk huis met de aanhef ’Hype, hype, hoera!’.
Een bestel dat al meer dan anderhalve eeuw zijn waarde en bestendigheid heeft bewezen, valt niet zomaar uit elkaar. Maar de combinatie van populisme en uitvergroting van zogenaamde misstanden voedt het wantrouwen en kan op de instituties van de staat, die het van vertrouwen moeten hebben, wel een desintegrerend effect hebben. Premier Balkenende voegde er in het Kamerdebat nog een dreiging aan toe, het verschijnsel om vertrouwelijke stukken, zoals ministerraadsnotulen, te lekken. De druk op het bestel komt dus niet alleen van buiten, maar ook van binnenuit.
Dat is nog veel beangstigender, omdat dit verschijnsel de vertrouwensbasis in de directe omgeving van elke minister ondermijnt. Balkenende zette de betekenis dan ook dramatisch aan met de waarschuwing dat deze ’zieke en verachtelijke mentaliteit’ leidt tot ’verrotting van het systeem’. Op de vraag vanuit de Kamer of dit verschijnsel niet in de hand wordt gewerkt door het spinnen, een ander Haags fenomeen dat Balkenende’s voormalige rechterhand Jack de Vries, bijgenaamd Jack het Lek, populair heeft gemaakt, zei de premier dat er een wezenlijk verschil is.
Bij spinnen gaat het er om aan informatie een voor de eigen minister of partij gunstige draai te geven – zo oud als de weg naar Rome overigens – bij het lekken van documenten uit de ministerraad wordt welbewust de vertrouwelijkheid geschonden. Balkenende heeft daar gelijk in, maar hij onderschat vermoedelijk dat er tussen het een en ander vloeiende overgangen ontstaan die vervagend werken op het normbesef en leiden tot ’de rot van het politieke systeem’. Misschien helpt het de bedreigingen van het bestel te weerstaan als leidende politici als Balkenende en Bos zich veel sterker dan op hun partijbelang op het openbare belang richten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.