Je moet 13-jarig kinderen geen keuzes laten maken waarvan ze de gevolgen niet kunnen overzien.
Het kind heeft sinds de jaren zeventig een grote emancipatie doorgemaakt. Er wordt meer en specifieker rekening gehouden met zijn rechten en belangen, er is een Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het kind gekomen.
Het moderne kind is een ’mondig kind’, zoals dat heet. Het klinkt zo vlot en zo aardig. Maar bestaat er eigenlijk wel zoiets als een modern kind en een ouderwetse kind? Vanuit de ontwikkelingspsychologie is er geen aanleiding om aan te nemen dat wat zich in vele jaren van evolutie heeft voltrokken, nu in een of twee generaties is veranderd in een geheel nieuwe, moderne variant. Zo gaat het niet.
Het kind van nu is basaal precies hetzelfde kind als het kind van vroeger. Het is soms net zo bang, net zo onzeker, en zoekt op dezelfde manier tastend en struikelend zijn weg –het zegt alleen eerder wat het wil en vooral níet wil.
Het lijkt zo volwassen als kinderen een mening hebben, maar is het niet altijd. Niet zelden is de wens van een kind een uiting van onmacht. „Ik wil naar een andere school”, betekent niet dat het kind een keuze maakt, maar dat het een vluchtroute zoekt uit een onoplosbare situatie, zoals bij gepeste kinderen.
Elk kind heeft opvoeding nodig om te leren een rijpe volwassene te worden. Nu de samenleving zo complex is geworden is die voorbereiding des te belangrijker: Volwassen zijn in deze tijd betekent dat je dagelijks vele keuzes moet maken; dat je moet kunnen overleggen, samenwerken, incasseren en verantwoordelijkheid dragen.
Dat moet je leren binnen grenzen. ’Dit is je speelveld’ (of vaarwater , zo u wilt). Hoe ouder het kind, hoe meer eigen beslissingsbevoegdheden. Tot je achttien jaar bent –dan mag je je eigen beslissingen nemen.
En die ’mondigheid’ van het kind? In letterlijke zin lijkt het kind van nu mondig. Het kan en mag al vroeg zeggen wat het wil, wat het voelt en wat het denkt. Maar dat is geen mondigheid.
Echte mondigheid heeft te maken met het vermogen om een weloverwogen keuze te maken en de verantwoordelijkheid voor de gevolgen te kunnen dragen. Dat zijn kinderen niet van nature. Een rijke traditie in het denken over opvoeden stelt de mondigheid van de mens als einddoel van de opvoeding, te bereiken na een lange weg.
Er is iets lastigs aan de hand met die zogenaamde mondigheid van het kind. Het lijkt kindvriendelijk, meepraten is immers sympathiek, wie kan daar nou tegen zijn? Maar meepraten is iets anders dan meebeslissen. Wie beslist draagt verantwoordelijkheid.
Wie zijn kind meer verantwoordelijkheid laat dragen dan het aankan, neemt het kind als ’persoon in ontwikkeling’ juist niet serieus. Een kind keuzes laten maken waarvan het de gevolgen niet kan overzien is een vorm van pedagogische verwaarlozing. Als een puber vertelt dat ze dolgraag een kind wil en van plan is haar wens te vervullen, ’Ik wil het echt!’, zullen de ouders dan redeneren dat het wel zal lukken, omdat het kind het ’zo graag wil’? Of omdat ze zo leuk oppast op de buurkinderen?
Pubers zijn in alles onrijp, hun fysieke gesteldheid zet hen aan tot impulsiviteit en experimenteergedrag. Dat is mooi en nuttig, gaandeweg gaan ze merken dat er een verschil is tussen wensen en willen.
Wensen is mooi, dromen is fantastisch, maar ook hier is veiligheid nodig. Als ouders te onzeker zijn in het stellen van grenzen, raken ouder en kind samen gevangen in een cirkel. ’Wie ben ik om ’nee’ te zeggen?', zal de ouder uiteindelijk denken. En het kind zal denken: ’Ik blijf vragen, totdat er iemand stop zegt’. Tot er een punt komt dat je niet meer terug kunt.
Het is mooi en goed dat kinderen langere tijd mogen spelen met hun gedachten en hun woorden. De ene dag wil je nog boer worden, de volgende dat toch liever tandarts. Die wensen kunnen vrijelijk geuit worden, niemand zal op het idee komen om het kind er aan te houden.
Anna Freud zei het destijds zo mooi: voor kinderen is de tegenstelling niet spel tegenover ernst. Hun spelen is immers een heel ernstige en belangrijke bezigheid. De tegenstelling ligt ergens anders: spel tegenover werkelijkheid. Kinderen voelen de ruimte om met hun wensen te spelen omdat ze weten dat de volwassenen zorgen dat er in de werkelijkheid geen consequenties aan verbonden zijn die het kind zelf niet kan overzien.
Om de daad bij het woord te voegen is immers meer nodig: het kunnen overzien van gevolgen, het maken van gefundeerde afwegingen. Dat moet je leren, daar is opvoeding voor bedoeld.
Ondernemende jongens en meisjes van dertien en veertien uiten soms grote wensen en behoefte aan avonturen Wat mooi dat kinderen dan een avontuur aan willen gaan, ze hun grenzen willen verleggen en zich een hoog doel stellen. Veelbelovend! Ze kunnen zo overtuigd en zo overtuigend zijn, ze lijken zo volwassen. Maar ze zijn het meestal niet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.