Nu de zwaarste bergetappes in de Vuelta voorbij zijn, staat Robert Gesink op de tweede plaats in het algemeen klassement. Het talent is tot wasdom gekomen.
Hij kon niet harder, zegt Robert Gesink haast verontschuldigend. De kopman van de Rabobankploeg zit in een hoekje van de teambus. Het valt op hoe mager hij is. Gesink heeft een trui aan en een jasje en toch heeft hij het koud. Normaal gesproken had hij de pers buiten de bus te woord gestaan, maar dat wil hij nu niet. De beklimming van de Sierra Nevada, die zaterdag werd gewonnen door de Fransman David Moncoutié, heeft hem uitgeput –hij had moeite om het tempo van de specialisten te volgen. Dan perst hij een glimlach op de lippen. „Ik heb vandaag goede zaken gedaan. Het maximale eruit gehaald”, zegt hij.
Na twee zware bergetappes staat de 23-jarige klimmer op de tweede plaats in het algemeen klassement. Dat is bijzonder, weet zijn ploegleider Adri van Houwelingen. Hij zoekt soms naar woorden als hij over Gesink spreekt. Het is een tijd geleden dat Nederland een renner had die hoog kan eindigen in een grote ronde. In 1990 was Erik Breukink de laatste die op het podium eindigde, hij werd derde in de Ronde van Frankrijk. Daarna droogde de bron langzaam op.
Een dag later mijmert de ploegleider over de toekomst van Gesink, een renner die hem de laatste jaren steeds opnieuw heeft weten te verrassen. De stappen die de jonge Nederlander de laatste jaren heeft gemaakt zijn enorm. In de straten van Granada, waar de laatste écht zware etappe van de Vuelta van start gaat, durft hij bijna niet vooruit te kijken. „Als hij zich op deze manier blijft verbeteren, dan kan hij het niveau van Alberto Contador (tweevoudig winnaar van de Ronde van Frankrijk, red.) halen. Maar of dat een reële verwachting is? Als hij zich nu nog verbetert, zal dat in stapjes gaan. Niet langer in stappen. Niet alleen fysiek, maar zeker ook mentaal.”
Gesink lijkt maar amper te beseffen dat hij bezig is een nieuw en succesvol hoofdstuk toe te voegen aan de Nederlandse wielerhistorie. Hij baalde vrijdag opzichtig toen hij een paar seconden te kort kwam om de etappe naar Alto de Velefique te winnen. Een dag later baalde hij opnieuw omdat hij niet had kunnen aanvallen op weg naar de Sierra Nevada. Dat hij desondanks een plaatsje steeg in het klassement –de Australiër Cadel Evans viel door mechanische pech weg uit de top van de ranglijst– vond hij prettig. Maar dat straalde de Varssevelder niet uit. Gesink had het vooral koud.
Hij sprak ook alvast over de laatste bergrit, met een aankomst bergop in Sierra de la Pantera. Op die col zou hij – mits de benen het toe zouden laten – proberen om aan te vallen. Een etmaal later hield hij zich aan die woorden. Op het moment dat klassementsleider Alejandro Valverde het even moeilijk had, zette hij aan. „Ik voelde me goed”, zei hij na afloop. „Het was een poging om de leiding in het klassement te nemen. Maar ik kakte een beetje in. De klim was net te lang. Valverde kraakte, maar hij brak niet.”
Uiteindelijk kwam de Spanjaard zelfs terug in zijn wiel en pakte hij op de finish nog enkele seconden, overigens wel op ruim twee minuten achterstand van de Italiaanse dagwinnaar Damiano Cunego. Het deerde Gesink niet. „Ik ben heel tevreden over de manier waarop ik de laatste drie dagen heb gereden. Ik heb mezelf zelfs enigszins verbaasd, omdat ik elke dag met de besten mee omhoog kon. Of ik tijdens mijn aanval aan het winnen van de Vuelta heb gedacht? Nee, ik dacht alleen aan mijn benen en aan hoeveel pijn ze deden. Dat ik op het podium kan eindigen is mooi. Maar ik ben wel iemand van eerst zien, dan geloven. En we zijn nog niet in Madrid.”
De komende week zullen er waarschijnlijk niet veel verschuivingen zijn. Zaterdag zal de definitieve ranglijst vorm krijgen, in de laatste tijdrit. Gesink heeft nu 39 seconden voorsprong op de Spanjaard Samuel Sanchez en bijna een minuut op nummer vier Ivan Basso uit Italië. Cadel Evans – een erkend tijdrijder – staat vijfde op één minuut en twintig seconden achterstand. Het podium lijkt haalbaal voor Gesink. In zijn denkwereld is dat echter nog niet aan de orde. Hij wil het eerst zien, voordat hij gelooft. De stelling dat hij is doorgebroken op het allerhoogste niveau durft hij echter wel aan. „Zo zou je het kunnen zeggen, ja.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.