„Voor een dorpskind in de jaren zestig vormde het bosbessen plukken één van de vanzelfsprekendheden die hoorden bij het ritme van de seizoenen. Aan het begin van de grote vakantie waren ze rijp. Er werd voor 1 (of 2?) rijksdaalders bij de boswachter een bosbessenbriefje gekocht, waarmee de hele familie dat jaar mocht plukken. We kregen oude kleren aan, vanwege de hardnekkige vlekken. Teken waren er nog niet. Bosbessen pluk je bekertje voor bekertje, tegen grote verliezen bij omvallen.
Een reëel gevaar, want je zit op je hurken tussen de struiken te wurmen, om één voor één die kleine besjes te oogsten. Elk vol bekertje ging in een emmertje. Ieder kind van onze familie dat kon lopen ging mee, maar niet iedereen had er talent voor. Allerlei natuurlijke fenomenen als honger, dorst, geen zin, muggen en ruzie met broertjes of zusjes konden in de weg staan. Uiteindelijk keerde je trots huiswaarts met de oogst, voorzichtig fietsend over de zandpaden. Bij een grote oogst werd er eerst jam gemaakt, er gingen rauwe bessen in de vriezer (goed tegen diarree) en door de vruchtenbowl op de verjaardagen van mijn ouders. Maar in ieder geval was er altijd genoeg om bosbessenpannekoeken te bakken. Niks lekkerder dan zo’n dik besuikerde roodzwartblauw gekleurde pannekoek!
Ik woon nu vlakbij het Duitse Reichswald, maar daar ken ik de stekjes niet. In ons Duits-Nederlandse koor hoorde ik ze elkaar vragen hoeveel pfund ze schon gepflückt hadden. De heimwee kreunde mijn keel uit. Dit jaar mag ik een wunderschöne avond met ze mee om eindelijk na veertig jaar weer zelf bosbessen te plukken. Ik verlang nu al naar de pannenkoek daarna!”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.