*

 

Zijn gedachten blijven in Birma

Minka Nijhuis − 16/09/09, 00:00

Deze maand is het twee jaar geleden dat de Birmese junta demonstraties van monniken bloedig neersloeg. Vandaag verschijnt het boek ’Birma, land van geheimen’ van Trouw-correspondent Minka Nijhuis. In deze voorpublicatie het verhaal van Khun Saing, een man die Nijhuis dertien jaar geleden ontmoette in Rangoon en – na zijn gevangenschap en vlucht – vorig jaar opnieuw in Engeland.

  • September 2007. Na een week van demonstraties rukken de bewapende Burmese oproerpolitie en soldaten in Rangoon op tegen de geweldloze monniken. (EPA)

In de lauwe middagwind strijken kraaien neer op het gras. Het groen van heuvels in de verte lijkt op een uitgespreide deken, die uitnodigt voor een picknick. Dat zou ik tegen Khun Saing willen zeggen, maar als ik zie hoe ernstig zijn gezicht staat, houd ik mijn mond.

Hij loopt met trage passen. Toch jaagt zijn adem. Hij hoest. Een korte droge hoest die me meteen aan zijn gevangenschap doet denken.

De zomer in het Engelse landschap gaat aan hem voorbij. Zijn gedachten zijn in Birma, waar razzia’s aan de gang zijn. „Al die gevangenen, al die anderen die ondergedoken zitten. Hoe moet ons land verder?” Het zijn vragen waarop hij geen antwoord verwacht.

Ik denk aan de eerste keer dat ik Khun Saing ontmoette, in Rangoon ruim dertien jaar geleden. Ik wist toen nog niets over het web waarin hij verstrengeld zit. Vanaf mijn kruk in het theehuis keek ik hoe een stroom voetgangers zich voorbij haastte. Afgeladen bussen denderden voorbij. In trossen hingen de passagiers aan de achterkant. Ik fantaseerde over het geroezemoes om me heen. Wat zou het laatste nieuws zijn dat de mannen bezighield?

„Smaakt het?”, haalde een stem me uit mijn overpeinzingen. Naast mijn tafel stond een man. Hij had vermoeide trekken met ingevallen wangen, maar zijn blik was helder.

Hij stelde zich voor als de eigenaar van het theehuis. ,,Mag ik?’’ vroeg hij met een handgebaar naar een leeg krukje. Toen ik knikte, kwam hij naast me zitten. Uit zijn zorgvuldige, wat stijf geformuleerde zinnen bleek duidelijk hoe trots hij was op zijn land. We spraken over de stad. Maar na een tijdje vielen er stiltes. Het leek alsof hij me taxeerde. Niet wetend wat te zeggen, maakte ik hem een compliment over zijn theehuis. Met een ongemakkelijk lachje nam hij mijn lof in ontvangst. Toen verdween hij naar het keukenblok achter in de ruimte.

De volgende dagen kreeg ik zijn verhaal stukje bij beetje te horen. Hij was bezig met zijn laatste jaar geneeskunde toen hij voor het eerst deelnam aan protesten tegen het bewind. Dat kwam hem op twee jaar cel te staan. Na zijn vrijlating verboden de autoriteiten hem zijn studie af te maken. Hij had simpele baantjes hier en daar en zette toen een theehuis op om aan de kost te komen. In het diepste geheim bleef hij politiek actief in een netwerk van kleine cellen. Toen dat uitlekte ging hij voor vijf jaar achter de tralies. Hij was een paar maanden vrij toen ik hem leerde kennen.

Opeens begreep ik waarom hij soms plotseling van onderwerp veranderde of van tafel verdween. Hij werd geschaduwd en ook in het theehuis zaten spionnen.

Ik zocht hem regelmatig op tijdens mijn reizen naar Birma. Hij bleef bezeten van de gedachte de generaals ten val te brengen. Over zijn jaren in de gevangenis liet hij vrijwel nooit iets los.

Vlak voor ik vertrok, liet hij me een snipper zilverfolie zien die uit een pakje sigaretten was gescheurd. ’Een boodschap van een vriend uit de gevangenis.’ Terwijl ik naar de kleine krullerige letters keek, vertaalde Khun Saing de tekst. Zijn vriend schreef over de martelingen die zijn medegevangenen ondergingen. ’Dag en nacht pijnigt hun gekerm mijn oren. Doe iets, vertel erover, wij kunnen dat niet,’ besloot de noodkreet.

Met een beheerst gebaar stopte Khun Saing het stukje papier weer in zijn borstzak. Zijn gezicht stond strakker dan gewoonlijk. Ik voelde me bezwaard, maar het had niets met mij te maken, verzekerde hij me. „Er zijn weer arrestaties in mijn vriendenkring.” Al wekenlang leefde hij met de spanning dat hij opnieuw opgepakt zou kunnen worden. Na een nerveus lachje vervolgde hij: „De martelingen zijn erger als je weet wat je te wachten staat.”

„Waarom vlucht je niet nu het nog kan?” Ik wist dat hij de connecties had via wie hij in Thailand zou kunnen komen; voor anderen had hij immers vaak genoeg een ontsnapping geregeld.

Hij schudde zijn hoofd. Hij wilde voor zijn bejaarde ouders zorgen. „Wat moet ik in het buitenland? Als balling leven?” Hij kende de ontluisterende verhalen over de Birmese diaspora. De verdeeldheid onder de talloze politieke groepen die elkaar het licht in de ogen niet gunden; de uitzichtloosheid van het bestaan als vluchteling. Al sinds het leger in 1962 aan de macht kwam, vluchtten Birmese dissidenten naar het buitenland. Hun internationale lobbywerk wierp nauwelijks vruchten af en hun contact met het thuisfront was na jaren ballingschap verwaterd. „Als we veranderingen willen moeten die vanuit Birma komen”, zei hij.

We draalden over het afscheid. Ik wilde nog iets zeggen, al ik had geen idee wat. Toen ik vanaf de straat nog even omkeek stond hij bewegingloos tussen de mensen die het theehuis in- en uitliepen.

Kort na mijn thuiskomst kwam het bericht dat Khun Saing was opgepakt. Hij had meegewerkt aan een boek over de geschiedenis van de ondergrondse studentenbeweging en een vriend had tijdens martelingen zijn naam genoemd. Zeven jaar, luidde het vonnis.

Een paar maanden nadat hij vrij kwam waarschuwden vrienden dat hij opnieuw opgepakt zou worden. De gedichten die hij in de cel had geschreven waren uitgelekt. Hij hoestte af en toe bloed en de tbc kon elk moment weer de kop op steken. De kans was klein dat hij een nieuwe gevangenschap zou overleven. Hij dacht ook aan zijn moeder, die alweer dagen stijf van de zenuwen door het huis liep. „Als je de politiek dan toch niet kunt laten, vlucht dan tenminste naar het buitenland. Als ik weet dat je vrij en veilig bent, heb ik rust, maar nog een gevangenschap kan ik niet aan”, zei ze. Dat gaf de doorslag. Khun Saing kwam via Thailand in een buitenwijk van Sheffield terecht.

Al een paar uur wandelen we rond in dit Engelse decor. In Birma waren onze ontmoetingen altijd kort geweest en omgeven met spanning. Zijn ogen bleven nooit lang op me gericht, ze dwaalden rond en soms gloeiden ze alsof hij koorts had. Nu pas dringt het tot me door dat we voor het eerst sinds we elkaar leerden kennen gewoon over straat kunnen lopen.

Zijn hoofd zit vol met indrukken die hij niet kan bevatten; ze vormen een te groot contrast met de wereld waar hij vandaan komt. Hoe bizar was het niet dat hij nog maar nauwelijks in Engeland was aangekomen of hij werd uitgenodigd om het parlement toe te spreken over de situatie in zijn land. „In Rangoon woonde ik vlak bij het gebouw van de volksvertegenwoordiging, op de stoep stil blijven staan was al voldoende om in de problemen te komen.” Hij had in Londen mee gedaan aan een protest bij de Birmese ambassade. „De eerste vreedzame demonstratie in mijn leven.”

In Rangoon had ik hem leren kennen als een idealistische, maar zelfverzekerde man; iemand die wist wat hij waard was. Hier lijkt hij kwetsbaar en onzeker. Ik denk aan de e-mails die ik net na zijn aankomst in Sheffield ontving: „Het is kil en de mensen zijn kil tegen elkaar.” Hij stuurde een foto mee van een verkleumd gezicht boven een dikke donkerblauwe jas.

Door zijn verhalen klinkt een bezeerde ondertoon die ik niet van hem ken. „Ik was bijna arts. Ik had een eigen theehuis. Als ik hier een apotheek binnen stap, ken ik alle medicijnen. Maar ik solliciteer op banen in de thuiszorg of op functies als schoonmaker.”

Sinds hij in Engeland is, heeft hij oude vrienden uit zijn studietijd ontmoet. Terwijl hij achter de tralies belandde, haalden zij hun bul en vertrokken voor een vervolgstudie naar Engeland. Daar werden ze medisch specialist. Hij geeft niet om luxe, maar toen hij bij een van hen aan een smaakvol gedekte tafel dineerde en dure wijn ingeschonken kreeg, had hij zich toch even een voorstelling gemaakt over hoe anders zijn leven had kunnen lopen.

Ik grijp hem bij de arm. „Kom, laten we iets gaan drinken.” Gelukkig sputtert hij niet tegen. Ook hij wil blijkbaar de zware stemming even kwijt. We gaan een typische buurtpub binnen: voetbal op televisie, biljart en dartbord. Het duurt niet lang of de gedachten van Khun Saing dwalen weer af naar Birma. Bij het tweede biertje zegt hij: „Toen ik werd vrijgelaten uit de gevangenis zeiden mijn celgenoten: 'Vergeet ons niet. Vergeet de democratische zaak niet.’” Hij wrijft zijn smalle handen tegen elkaar alsof hij het koud heeft. Zijn ogen zijn vochtig. Abrupt staat hij op. „Laten we gaan.”

Door de schemering lopen we terug naar huis. Tussen de kleine lage huizen steekt het flatgebouw waar Khun Saing woont als een stads element omhoog. Verf bladdert van de buitenmuren. Maar het appartement dat hij met een Birmese lotgenoot deelt, is brandschoon, alsof het een huis is waar ze op passen. Nergens papieren of een krant. Aan de wand prijkt een doek met de tekst: ’Free Burma’s political prisoners now.’

Ik kijk naar het opgerolde matje naast de verwarming. „Slaap je daar soms?”

Hij lacht verlegen, alsof hij zich betrapt voelt. De matras op zijn bed is te zacht; zijn rug kan daar niet meer tegen. „Ik slaap prima op de vloer.” Hij grimast. „Net als in mijn cel.” Toen ik hem een paar weken geleden belde, vertelde hij terloops dat hij last van zijn rug had. Hij maakte een grapje dat het fanatieke hardlopen van vroeger hem opbrak. Maar toen ik doorvroeg bleek dat hij nooit meer de oude was geworden nadat zijn ondervragers bovenop hem gesprongen waren terwijl hij languit op de betonnen vloer lag.

Zijn huisgenoot, een stille verlegen jongen, zet het eten op tafel. Dan verdwijnt hij naar zijn kamer.

Khun Saing eet als een vogeltje. Een paar lepels rijst, een hap van het gekookte ei. De kip en de garnalen blijven onaangeroerd.

Hij begint over een radio-interview dat hij op zijn laptop bewaart. Daarin vertelde de moeder van een zojuist gearresteerde dissident aan een Birmese journalist die haar vanuit Londen belde, hoe agenten haar huis in Rangoon ondersteboven keerden. De verslaggever vroeg wie de leiding had over de operatie. „Wil je die man soms zelf spreken?”, vroeg de moeder en ze stak de hoorn uit naar de officier. „Die weigerde natuurlijk aan de lijn te komen”, schampert Khun Saing.

De zon is nog maar nauwelijks op als ik de volgende morgen wakker word. In de woonkamer zit Khun Saing al klaarwakker met een koptelefoon op. Via zijn laptop belt hij met zijn vrienden in de Thaise grensplaats Mae Sod, bij wie hij een paar weken woonde voordat hij naar Sheffield kwam. Net als hij zijn ze ex-politieke gevangenen. In een kleine compound leven ze als een hechte familie bij elkaar. Ik kwam er regelmatig tijdens mijn reizen naar AziĆ«. Ze werken in een organisatie die informatie verzamelt over collega’s die nog achter de tralies zitten. Ik hoor dat Khun Saing het met zijn vrienden over de nieuwe arrestaties van dissidenten heeft.

Khun Saing komt naast me staan. Zijn blik gaat naar een vrouw met een kort grijs kapsel en een zwart mantelpak die bij de bushalte haar ochtendsigaret rookt. „Ze is alleen”, zegt hij. Zijn stem klinkt zorgelijk. Ik zie een kwieke vrouw op leeftijd die klaar is voor een dagje naar de stad, maar Khun Saing ziet een eenzame bejaarde die zonder familie op stap gaat. Dat zou in Birma ondenkbaar zijn. Zo ontheemd is hij na een paar maanden in Sheffield nog.

Het lijkt me dat ik alle tijd heb om mijn trein te halen, maar hij heeft al een paar keer ongerust op de klok gekeken. Zo kom ik tegen mijn gewoonte veel te vroeg op het station.

„Pas je goed op in Birma? Ze zullen je overal volgen”, zegt hij op het perron. Dan is hij opeens verdwenen, net zoals hij dat in Rangoon vaak deed.

Op de cadans van de trein denk ik na over mijn bezoek. Ruim zestien jaar geleden schreef ik voor het eerst over Birma. Toen meende ik nog dat de politieke veranderingen binnen handbereik lagen. Hoe had ik toch zo naïef en optimistisch kunnen zijn?

Dit is een ingekorte versie van het eerste hoofdstuk uit: Birma, land van geheimen. ISBN 978905018922. Uitgeverij Balans, Amsterdam, 16,50 euro.

mailIcon print |